De wilde zwanen te Coole (W.B. Yeats)

De bomen staan in hun najaarsschoonheid,
droog zijn tussen `t houtgewas de paden,
onder oktoberschemering wordt een stille hemel
weerkaatst door het water;
op het hoge water tussen de stenen
zijn negenenvijftig zwanen.

De negentiende herfst is over mij gekomen
sinds ik mijn eerste telling deed;
ik zag, eer ik ermee klaar was,
ze plotseling breed
stijgen en zwenken in gebroken ronde vlucht
op wieken vol gerucht.

Ik heb gekeken naar deze briljante wezens
en nu is mijn hart verstoord.
Alles is anders sinds ik ze in de schemer
hier voor het eerst heb gehoord;
de klokslag van hun vleugels die toen hoorbaar werd
trad met een lichter tred.

Nog onvermoeid, minnaar bij minnares,
peddelen zij in de koude
genoeglijke stromen of beklimmen de lucht;
hun harten zijn niet ouder;
hartstocht, verovering, waar ze ook zijn geweest,
ze dienen hen nog steeds.

Maar nu drijven zij op het stille water,
prachtig en koel;
tussen welk riet zullen zij bouwen,
bij de oever van welk meer, welke poel
verrukken zij mensenogen als ik straks op zal staan
en merk dat ze zijn weggegaan?

(Bron: Al keert het grote zingen niet terug, vertaling: J. Eijkelboom/Wagner & Van Santen)

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in W.B. Yeats en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s