Paul Verlaine † (J.H. Leopold)

I

Men mocht wel willen in donzen woorden
van hem te hooren, nu hij pas
dood is en wat zijn leven was
voor ’t eerste stil gaat worden; stoorden

nu woorden niet in zijn beginnen
der vredigheid hem toegebracht
en in den schuwen ernst betracht
door ons, die ons willen bezinnen

over het sidderende, dat wij vonden
in ons; zóó het op eens lag neer
in donker, lijden van een zeer
verborgen iets en zeer geschonden.

II

Hoe zoet gesloten, toegesloten
en goed geborgen in donkernis
buiten, waar lente komende is
met regen onder de lucht de bloote

een man, die heeft zijn afgewende
leven stil voor zich heen gevoerd,
een poovere maar een ontroerd
teedere en hij in zijn ellende

was tot den eenigen zin gekomen
des levens: dat wij wezen zouden
verscholen, in geduld gehouden
en wegverloren, zóó eerst vromen.

Een wijze — en om den doode is veel
van zoetheid en mijmering gebleven
en het bemoeien en dóórleven
der menschen heeft aan hem geen deel.

Jan. ’96

(Bron: Verzamelde verzen/Athenaeum — Polak & Van Gennep)

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in J.H. Leopold en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s