Los frutos de la tierra/De vruchten van de aarde (Pablo Neruda)

Cómo sube la tierra por el maíz buscando
lechosa luz, cabellos, marfil endurecido,
la primorosa red de la espiga madura
y todo el reino de oro que se va desgranando?

Quiero comer cebollas, tráeme del mercado
una, un globo colmado de nieve cristalina,
que transformó la tierra en cera y equilibrio
como una bailarina detenida en su vuelo.

Dame unas codornices de cacería, oliendo
a musgo de las selvas, un pescado vestido
como un rey, destilando profundidad mojada
sobre la fuente,
abriendo pálidos ojos de oro
bajo el multiplicado pezón de los limones.

Vámonos, y bajo el castaño la fogata
dejará su tesoro blanco sobre las brasas,
y un cordero con toda su ofrenda irá dorando
su linaje hasta ser ámbar para tu boca.

Dadme todas las cosas de la tierra, torcazas
recién caídas, ebrias de racimos salvajes,
dulces anguilas que al morir, fluviales,
alargaron sus perlas diminutas,
y una bandeja de ácidos erizos
darán su anaranjado submarino
al fresco firmamento de lechugas.

Y antes de que la liebre marinada
llene de aroma el aire del almuerzo
como silvestre fuga de sabores,
a las ostras del Sur, recién abiertas,
en sus estuches de esplendor salado,
va mi beso empapado en las substancias
de la tierra que ama y que recorro
con todos los caminos de mi sangre.

************************

Wat stijgt de aarde in de maïs en hunkert
naar melkwit licht, haren, hard ivoor,
het fijne netwerk van de rijpe aar
en het volle rijk van ontkorrelend goud!

Ik wil uien eten, breng er een mee van
de markt, een volle bol kristalheldere sneeuw,
die de aarde in was en evenwicht veranderde
als een danseres gestopt in haar vlucht.
Geef me een paar kwartels van de jacht die
naar woudmos ruiken, een vis in konings-
kleren die natte diepte afscheidt
op zijn schotel, zijn bleekgouden ogen opentrekt
onder die vele citroenpartjes.

Kom, we gaan, en onder de kastanjeboom
laat ons vuurtje zijn witte schat op de gloeiende kolen,
en in zijn volle offer verguldt een lam
zijn soort tot amber voor je mond.

Geef me alle vruchten van de aarde, pas
neergeschoten houtduiven, nog dronken van wilde trossen,
zoete alen die in hun stromend sterven
hun piepkleine parels vergrootten,
en een plateau met zure zeeëgels
die met hun oranje onderzeeër
het verse firmament van de sla kleuren.

En vooraleer de gemarineerde haas
de lucht van het middagmaal vult met zijn geuren
als een fuga van smaken uit het bos,
kus ik de zuiderse oesters — men maakte
hun van zilt schitterende kistjes pas open —
met een kus doordrenkt van aardse stoffen
waar ik van houd en doorheen loop
met alle wegen van mijn bloed.

(Bron: Canto General/De Morgen Biliotheek . Vertaling: Bart Vonck)

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Pablo Neruda en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s