Terzinen über Vergänglichheit (Hugo von Hofmannsthal)

I

Noch spür ich ihren Atem auf den Wangen:
Wie kann das sein, dass diese nahen Tage
Fort sind, für immer fort, und ganz vergangen?

Dies ist ein Ding, das keiner voll aussinnt,
Und viel zu grauenvoll, als dass man klage:
Dass alles gleitet und vorüberrinnt.

Und dass mein eignes Ich, durch nichts gehemmt,
Herüberglitt aus einem kleinen Kind
Mir wie ein Hund unheimlich stumm und fremd.

Dann: dass ich auch vor hundert Jahren war
Und meine Ahnen, die im Totenhemd,
Mit mir verwandt sind wie mein eignes Haar,

So eins mit mir als wie mein eignes Haar.

II

Die Stunden! wo wir auf das helle Blauen
Des Meeres starren und den Tod verstehn,
So leicht und feierlich und ohne Grauen,

Wie kleine Mädchen, die sehr blass aussehn,
Mit großen Augen, und die immer frieren,
An einem Abend stumm vor sieh hinsehn

Und wissen, dass das Leben jetzt aus ihren
Schlaftrunknen Gliedern still hinüberfließt
In Bäum und Gras, und sich matt lächelnd zieren

Wie eine Heilige, die ihr Blut vergießt.

III

Wir sind aus solchem Zeug wie das zu Träumen,
Und Träume schlagen so die Augen auf
Wie kleine Kinder unter Kirschenbäumen,

Aus deren Krone den blassgoldnen Lauf
Der Vollmond anhebt durch die große Nacht .
… Nicht anders tauchen unsre Träume auf,

Sind da und leben wie ein Kind, das lacht,
Nicht minder groß im Auf- und Niederschweben
Als Vollmond, aus Baumkronen aufgewacht.

Das Innerste ist offen ihrem Weben;
Wie Geisterhände in versperrtem Rauen
Sind sie in uns und haben immer Leben.

Und drei sind Eins: ein Mensch, ein Ding, ein Traum.

*****************

Terzinen over vergankelijkheid

I

Nog voel ik hun adem over mijn wangen:
Hoe kan het dat deze o zo nabije dagen
Weg zijn, blijvend opgegaan, in verlangen?

Dit is iets wat niemand ten einde verzint
En veel te gruwelijk om erover te klagen
Dat alles maar verglijdt en verzwindt

En dat mijn eigen ik, door niets geremd,
Naar hier gleed uit een klein kind
Dat als een hond stomme vreemd beklemt.

En: dat ik er ook was voor honderd jaren
En mijn voorouders, in hun doodshemd,
Met mij verwant zijn als mijn eigen haren,

Zo een met mij als mijn eigen haren.

II

De uren! waarin we turen over het helle
Blauwen van de zee en de dood ervaren,
Zo licht en verheven en zonder kwellen

Als kleine meisjes die heel bleek staren
Met grote ogen, en die altijd kou lijden,
Op een avond stil niets meer ontwaren

En weten dat uit hun slaapdronken lijven
Het leven nu stil in gras en bomen vliet,
En zich mat glimlachend aan zichzelf wijden

Als een heilige die haar bloed vergiet.

III

Wij zijn uit zulke stof als die we dromen,
En dromen laten zo hun ogen opengaan
Als kleine kinderen onder kersenbomen

Met kronen van waaruit de volle maan
Zijn baan begint door de grote nacht.
… Niet anders vangen onze dromen aan,

Zijn ze er en leven als een kind dat lacht,
Niet minder groot in hun op- en neerwaarts zweven
Dan de volle maan uit boomkronen omhooggebracht.

Het binnenste is open voor hun weven,
Ze zijn in ons als handen van een fantoom
In een gesloten kamer, en hebben aldoor leven.

En drie zijn één: een mens, een ding, een droom.

(Bron: http://home.bn-ulm.de/~ulschrey/home-lit.html. Vertaling: E. Zykov)

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Hugo von Hofmannstahl en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op Terzinen über Vergänglichheit (Hugo von Hofmannsthal)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s