Allen (Aart van der Leeuw)

Zijn het enkel maar deez’weingen,
Die, den Droom te voet gevallen,
Zich aan zijnen aanblik reingen?
Neen, ik voel den gloed in allen.

Als in ’t najaar vogelscharen,
Zich verzaamlend voor zij trekken,
Blanker dan het schuim der baren,
Kust en duinenrug bedekken,

Eerst in aarzelend gewemel
Angstig door elkander kringend,
Dan ~ hun opvlucht naar den hemel,
En de zee het reislied zingend;

Zoo staan tallooze verlangers
Zuidwaarts naar den trans te turen;
Doch hun stem is niet des zangers,
Dus hun zucht zal ook niet dúren.

Kònden zij het blauw bevolken
Met hun beeldende gezichten,
Tuinen zouden door de wolken,
In een teelt van rozen, lichten;

Ieders ander land ging gloren
In een glans van zomerweders,
En zijzelven, nieuwgeboren,
Zweefden op ontploken veders.

Liefste, ik heb alleen van zeven
’t Lied der laatste hoop doen schallen,
Maar éen vers blijft ongeschreven:
Het gebed der duizendtallen.

(Bron: Opvlucht/C.A. Mees, Santpoort 1922)

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Aart van der Leeuw en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s