Weet je nog hoe het water droomde (Aleksandr Blok)

Weet je nog hoe het water droomde
In onze slaperige baai,
Toen er in linie binnenstoomden
En langzaam meerden aan de kaai.

Vier grijze schepen? Mateloze
Beroering, onrust brachten zij,
Gebruinde, lachende matrozen
Gingen ons achteloos voorbij.

Groots en verlokkend werd het leven…
Toen zijn de schepen weggegaan.
Ze wendden alle vier de steven
De nacht in, naar de oceaan.

En alles werd weer als tevoren,
De vuurbaak zond vermoeid zijn straal
Over de zee. De semaforen
Gaven een allerlaatst signaal.

Hoe weinig heeft een kind van node:
Wat waren jij en ik verblijd
Met al wat ons werd aangeboden,
Zelfs met de kleinste nieuwigheid.

Vind in een zakmes jaren later
Per ongeluk een korrel zand,
En weer is daar het wijde water
En het betoverende strand.

(Bron: De meisjes van Zanzibar, zevenentwintig Russische gedichten vertaald door Leidse slavisten met Karel van het Reve/Gerards & Schreurs)

Geplaatst in Aleksandr Blok | Tags: , | Een reactie plaatsen

Raam-liedje (Jac. van Looy)

’t Tuintafeltje glanst,
De regen er danst,
Fonteint, bedriegertjes, kleen,
Dan blinkt er een blaas
En breekt met geraas
Licht, in den hemelvloed heen.

Doch diep in den tuin
Hangt alle loof schuin,
Druilt of pruttelt van neen;
Och, de arme bloemen
Verbeuren hare roeme,
En hoorden nooit van geween –

En wat was een roos,
Niet een bolleboos,
Een rijke, een trotsche, een vlotte;
Nu klont tot een prop
Er iedere knop
En moet in schamelheid rotten.

Maar ’t hardere goed,
Zegt ons menschengemoed,
Het lijdt wel een bui, wat geween:
Laat suijen en zeuren,
Laat reegnen, treuren,
Wat mooi was, gaat mooi ook heen.

(Bron: Spiegel van de moderne Nederlandse poëzie, samengesteld door Hans Warren/Meulenhoff-Kritak. Oorspronkelijk: Gedichten/A.W. Sijthoff’s Uitgeversmaatschappij, 1932)

Geplaatst in Jac. van Looy, Jacobus van Looy | Tags: , | Een reactie plaatsen

Mijn mouw was kapot (Pan Mohua)

              Mijn mouw was kapot.
Mijn moeder ging zitten en trok
naald na naald de draad erdoorheen.
Zo naaide ze haar verdriet erin.
              Mijn haar was in de war.
Mijn zus zei dat het geen gezicht was als ik zo uitging,
de mensen zouden van me schrikken.
Ze nam een kam om me te kammen,
zo kamde ze haar verdriet erin.
              We gingen het huis uit en op reis,
we liepen tot de avondzon de bergen rood kleurde.
Mijn oudste broer zei dat ik te langzaam liep,
we zouden zo nooit op tijd komen.
Hij pakte mijn hand om me te helpen.
Zo bracht hij
zijn verdriet door zijn licht schokkende handpalm op mij over.

              Nu, dat is het nu van groen gras en rode wolken!
Nu is zeshonderd mijl van huis.
Het verdriet van mijn moeder in de naden;
het verdriet van mijn zuster in mijn haar;
het verdriet van mijn broer in mijn hand;
ze bonden mij met hun dicht net van verdriet,
ze hebben mij in hun net laten zitten.

Hangzhou, 1 maart 1922

(Bron: Chinese dichters, drieduizend jaar Chinese poëzie/de Prom)

Geplaatst in Pan Mohua | Tags: , | 1 reactie

Hands (Robinson Jeffers)

hands

 

Inside a cave in a narrow canyon near Tassajara
The vault of rock is painted with hands,
A multitude of hands in the twilight, a cloud of men’s palms, no more,
No other picture. There’s no one to say
Whether the brown shy quiet people who are dead intended
Religion or magic, or made their tracings
In the idleness of art; but over the division of years these careful
Signs-manual are now like a sealed message
Saying: “Look: we also were human; we had hands, not paws. All hail
You people with the cleverer hands, our supplanters
In the beautiful country; enjoy her a season, her beauty, and come down
And be supplanted; for you also are human.”

 

 (Bron: The Selected Poetry of Robinson Jeffers/Stanford University Press. Naar aanleiding van De overgave, Arthur Japin)

Geplaatst in Robinson Jeffers | Tags: , | 4 reacties

Bed (Eva Gerlach)

 

Je lichaam vast in slaap, de rest vloog weg.
Een hand ligt naast je met gekrulde vingers.
Doe ik mijn hand erin, de jouwe sluit zich,
neemt die van mij en legt hem op je hart,
je andere eroverheen. Wat heet

liefde. Zomaar zing ik iets
zonder dat ik het merk, een lied dat niet
bedacht wordt maar bestaat, ik weet van niks,
ik merk dat ik het zing terwijl ik fiets,
een trap afloop, blad hark, ik weet

niet wat ik zing tot het gezongen is.

 

(Bron: Nieuw Groot Verzenboek/Lannoo-Meulenhoff)

Geplaatst in Eva Gerlach, Uncategorized | Tags: , | 1 reactie

Winterliche Birke (Erika Beltle)

Hast du die kahle Birke schon erblickt?
Des Laubs entschmückt, steht sie im Abendblau
des Horizontes wie hineingestickt

von zarten Händen einer stillen Frau.
Und wenn die Wolken rosig aufgeblüht,
das Tal getaucht in Violett, dann schau,

wie sie die Himmelsfarben einbezieht
in ihres Bildes zierliches Oval,
wie warm das Gold erwacht, das Rot erglüht,

in zarte Zweige eingefaßt — von Mal zu Mal
im Abendwinde federleicht gebauscht.
Wird dann der Himmel leise um sie fahl,

hat er sein Blau mit dunklem Samt vertauscht:
steht sie wie neu. Von Sternen übersät.
Die Säfte ruhn. Sie träumt vielleicht. Und lauscht

dem Atem dessen, der sie still durchweht.

(Bron: Wanderung/J. Ch. Mellinger-Verlag, Stuttgart)

Geplaatst in Erika Beltle | Tags: , | Een reactie plaatsen

IJsland (Augusta Peaux)

 

Dit is de toover van dit lichte land,
dat het den indruk laat als lag het ver,
vreemd en onwezenlijk, op een planeet
ouder dan onze aarde, een planeet
in strengen ernst verstild, de eenzaamheid
omgeeft haar als een dampkring. In dit land
zoekt elke lijn de verste verten, keert
zich aan geen afstand, aan geen ruimte of tijd,
gaat maar gestadig in één richting voort
door lichten dag en weer door lichten nacht
en zoo afwiss’lend tot – waar is de grens?
De grenzen schijnen hier gewischt, vervloeid,
niet te bestaan; een andere planeet.

 

(Bron: Nieuwe gedichten/Tjeenk Willink 1926. Opgenomen in: Waarheen ik ga weet ik niet/Kwadraat)

Geplaatst in Augusta Peaux, Uncategorized | Tags: , | Een reactie plaatsen

polaroids 1-4 (Frouke Arns)

1.
Vertrek op een dag dat de wolken
nog alle kanten op kunnen

vergeet niet de raad, ach, vergeet elke raad
je gaat op pad en maakt herinneringen

nieuw, aan plaatsen, mensen,
die bepaalde inval van het licht

één ding: wind is ongrijpbaar, laat zich slechts
kennen in wat hij beweegt
 

2.
pas als je weg bent zal ik denken
aan iets wat je zei: je laat me nog
lachen in een lege ruimte
 

3.
tussen stammen staat een man; hij heeft de kleur van bos.
vraag waar hij woont en hij noemt je een straat, een stad
in een land waar je bijna ooit was; wijs hem de weg
 

4.
als je lang op een plek blijft, maak je geen foto’s
meer en ook het omgekeerde is waar: ga dagen

en nachten van huis en je vergeet de gezichten
en kleine gebaren van hen die je lief zijn, tot je staand

tussen bomen, hoog in de kruinen een ruisen
gewaar wordt en je weer weet: hier is het, hier
 

(Bron: Poëziewedstrijd 2011-2012, Bekroonde werken uit de tweejaarlijkse poëziewedstrijd van de stad Oostende. Frouke Arns ontving een eervolle vermelding. In januari 2015 werd zij benoemd tot stadsdichter van Nijmegen)

Geplaatst in Frouke Arns | Tags: , | Een reactie plaatsen