Appelboompje (Hannie Rouweler)

Het jonge appelboompje
achterin de tuin
draagt dit jaar haar eerste vruchten.

Een rode gloed
hangt als een bruidssluier
over het hoofd en de armen
van het nog maar net volgroeide lichaam.

Dit is het geluk
dat pril en vol verwachting mag zijn,
dat teder blijft terwijl de dagen
korter worden achter mijn vensters.

Nog in het avondlicht dit vervagend beeld
van wat aanwezig is en in zichzelf wil vasthouden:
uur, seizoen en zomer. Jong, rood en volledigheid.

(Bron: Een reis langs Rood en Wit/Demer Uitgeverij)

Geplaatst in Hannie Rouweler | Tags: , | 1 reactie

Stad bij nacht (Lucebert)

maar gij zijt de nacht en als zodanig verheven
boven de schimmige nachtwaker
boven de pijpende zwendel in portieken
boven de blozende slagers in hun abatoir
boven de markten die overal thuis zijn
beurse twistappel rottende vis

zijt gij duister en verheven en afwezig
in wat daklozen werd toegewezen
manden met miniatuur-centimeters uitgemeten
(want wie levensgroot is
dus toch al zo goed als dood is
kan beter wakker blijven om biddende te werken)
dus zo zwart als oppermachtig zijt gij dat
een schaakbord vol zwarte gieren op het witte veld
gij ziet op mij neer, grote nacht, en gij weet

terwijl zij zich met maan en sterren meet
verdrijft de stad de maan
maar oh, hoe zij zich daarbij afmat!

(Lucebert schreef in 1960 een reeks verzen bij stadsfoto’s; het hier gekozene, bij een foto van nachtelijk New York met verlichte wolkenkrabbers, is niet in zijn verzamelbundel terechtgekomen. Bron: Geheime gedichten die niemand kent maar die gezien mogen worden, gekozen door Wim Zaal/De Arbeiderspers.

Geplaatst in Lucebert | Tags: , | Een reactie plaatsen

Trinidad (Cees Nooteboom)

Dit ben ik vaak geweest:

een man op een landweg,
een man in een vliegtuig,
een man met een vrouw.

En dit ben ik vaak geweest:

een man die zich onder een steen
wil verbergen
om geen licht meer te zien.

Die twee mannen,
ze dragen mijn koffers,
ze lezen mijn kranten,
ze verdienen mijn brood.

Samen trekken we
door de lucht van de wereld
op zoek naar het onschatbare standbeeld
waar ze alle drie op staan
in de gedaante van één.

(Bron: Bitterzoet/De Arbeiderspers)

Geplaatst in Cees Nooteboom | Tags: , | 3 reacties

Alleen in de tuin (Gerrit Kouwenaar)

Men zit met zijn schimmen in de tuin, licht
bladert schemer, er ademen oude nalatige vragen
men zwijgt zich tezamen, is sprekend zijn naaste
het is later, onhoorbaar als tijd

men zou dit ingedikt niets willen stillen ontmaken
deze langzame cirkel, dit doodlopend loze moment
willen wissen in scheurende zijde, ontastbare
tastende voeten voorbijgaand over het grind

zo duurt men nog even, uurglazen, eetgrage boeken
doodsnood van hongerend voedsel, dan vindt zich
het sterfelijk licht uit en gaat men, gaat men
naar binnen, gehoorzaam, verhoort men het donker -

(Bron: Vallende stilte/Querido)

Geplaatst in Gerrit Kouwenaar | Tags: , | Een reactie plaatsen

Waterplant (Shrinivási)

In de grijze avond
hangt het witte verslag
van de sabakoes
in de bomen langs de rivier.

Onder de brug
trekt het water lijnen
waarop nu zinnen verwijlen
rondom de palen
en ik, duidelijk versta
de vluchtige taal
van de eb.

Wat anderen nooit
komen te weten
wat zelfs het binnenhuis
niet is toevertrouwd
moet ik nu prijsgeven.

Altijd alleen
groet ik zonder gebaar.
Alles gaat voorbij.

Als losgeslagen waterplanten
drijvende op de stroom
etmalen ver
zijt gij mij:

Kronenburg en Nijssenweg
Nickerie en de Stad
Domburg, Kwatta
Blauwgrond en Corneliskondre.

Maar zie ik blijf bij U
wanneer de wolken
rood aanlopen
Vergeet dit niet.

Gedenk mij
wanneer de nacht hierna
eenzaam speelt
met de rivier.

Sabakoes: reigers. (Bron: Een weinig van het Andere/In de Knipscheer)

Geplaatst in Shrinivási | Tags: , , | Een reactie plaatsen

The Song (W.H. Auden)

So large a morning so itself to lean
Over so many and such little hills
All at rest in roundness and rigs of green
Can cope with a rebellious wing that wills
To better its obedient double quite
As daring in the lap of any lake
The wind from which ascension puts to flight
Tribes of a beauty which no care can break.

Climbing to song it hopes to make amends
For whiteness drabbed for glory said away
And be immortal after but because
Light upon a valley where its love was
So lacks all picture of reproach it ends
Denying what it started up to say.

(Bron: Collected Shorter Poems 1927-1957/Faber and Faber Limited)

Geplaatst in W.H.Auden | Tags: , | Een reactie plaatsen

Wij stonden in de keuken (Martinus Nijhoff)

Wij stonden in de keuken, zij en ik.
Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag.
Maar omdat ik mij schaamde voor de vraag
wachtte ik het onbewaakte ogenblik.

Maar nu, haar bezig ziend in haar bedrijf,
en de kans hebbend die ik hebben wou
dat zij onvoorbereid antwoorden zou,
vroeg ik: waarover wil je dat ik schrijf.

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan.
Weer is dit leven vreemd als in een trein
te ontwaken en in een ander land te zijn.

En zij antwoordt, terwijl zij langzaam-aan
het drup’lend water op de koffie giet
en de damp geur wordt: een nieuw bruiloftslied.

(Bron: Verzamelde gedichten/Bert Bakker)

Geplaatst in Martinus Nijhoff | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Morgen in augustus (Clara Eggink)

Langzaam wijkt de nacht,
Een purper licht dekt hoog de kruinen.
Het loover dunt en zacht
Omneveld later is de zon der tuinen.
Het licht des daags verblauwt,
Koel betreedt de wind de open ramen,
Een geur van brandend hout…
Zijn wij zoo lang al samen?

(Bron: Verzamelde gedichten/A.A.M. Stols, Rijswijk)

Geplaatst in Clara Eggink | Tags: , | 1 reactie