The Song (W.H. Auden)

So large a morning so itself to lean
Over so many and such little hills
All at rest in roundness and rigs of green
Can cope with a rebellious wing that wills
To better its obedient double quite
As daring in the lap of any lake
The wind from which ascension puts to flight
Tribes of a beauty which no care can break.

Climbing to song it hopes to make amends
For whiteness drabbed for glory said away
And be immortal after but because
Light upon a valley where its love was
So lacks all picture of reproach it ends
Denying what it started up to say.

(Bron: Collected Shorter Poems 1927-1957/Faber and Faber Limited)

Geplaatst in W.H.Auden | Tags: , | Een reactie plaatsen

Wij stonden in de keuken (Martinus Nijhoff)

Wij stonden in de keuken, zij en ik.
Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag.
Maar omdat ik mij schaamde voor de vraag
wachtte ik het onbewaakte ogenblik.

Maar nu, haar bezig ziend in haar bedrijf,
en de kans hebbend die ik hebben wou
dat zij onvoorbereid antwoorden zou,
vroeg ik: waarover wil je dat ik schrijf.

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan.
Weer is dit leven vreemd als in een trein
te ontwaken en in een ander land te zijn.

En zij antwoordt, terwijl zij langzaam-aan
het drup’lend water op de koffie giet
en de damp geur wordt: een nieuw bruiloftslied.

(Bron: Verzamelde gedichten/Bert Bakker)

Geplaatst in Martinus Nijhoff | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Morgen in augustus (Clara Eggink)

Langzaam wijkt de nacht,
Een purper licht dekt hoog de kruinen.
Het loover dunt en zacht
Omneveld later is de zon der tuinen.
Het licht des daags verblauwt,
Koel betreedt de wind de open ramen,
Een geur van brandend hout…
Zijn wij zoo lang al samen?

(Bron: Verzamelde gedichten/A.A.M. Stols, Rijswijk)

Geplaatst in Clara Eggink | Tags: , | 1 reactie

Verloving (Ayatollah Musa)

Schommel mij heen
in bedden van troosten
schakel
nachten & donker

Schommel mij weder
na weemoed en dagen
van minnen
in verborgen raden

Dans mij geheimen
traditiegetrouw
til je gezichten
trefzeker dan neer

Slaap mij je bloemen
na volharding
voor onze claqueurs
reciteer mij vaarwel

Zing mij de troeven
zwerm door verbeelding
gedroomde meren
de kusten te diep

Wek mij schitteringen
flora divan
goedenacht

Haast mij naar hemel
waar Zolaicha mij wacht

(Bron: Taj Mahal/Vassallucci)

Geplaatst in Ayatollah Musa | Tags: , | 2 reacties

‘Erbarme dich’ (Anna Enquist)

Met de dood in de auto door Vlaanderen, narcissen
zwaaien in koude wind, voor het eerst, voor het laatst.
Dat in zijn licht de dingen sublieme betekenis krijgen
blijkt nu niet waar, het Lam Gods legt het af. Het beste

is: staren in water, omgekeerd hangt de trillende
brug in de gracht. Zien hoe de Schelde met jeugdige
wanhoop over verloren schepen schuimt, resten van
Rome zeult onder zand in een tijdelijk, onrustig graf.

Wij kunnen zo tijdloos niet wiegen, wij hikken
van woede en zetten de zeilen bij om iedere grap,
iedere voetstap te bevechten op de grauwe leegte.

Bach vult de ruimte denderend. In de warme bloem
deinen we verdoofd door groen land. Rondom slaan
alle bomen uit, voor het laatst, voor het eerst.

(Bron: Jachtscènes/De Arbeiderspers)

Geplaatst in Anna Enquist | Tags: , | 1 reactie

Tango (Elisabeth van Hilten)

Zomereind — in de beloken tijd —
verschijnen de Aeschna’s, de grote libellen
glinsterend blauw en groen zeilen en zwenken zij —
flitsend en trillend — rustloos voorbij
soms staan zij plotseling stil —
hangen loos in de lucht —
stijgen dan verticaal —
om pralend en statig een vervaarlijke boog te beschrijven

Volmaakt synchroon — vlak op elkaar —
door radar verbonden — draadloos gezonden
twee helikopters — in demonstratievlucht —
afstand twee duim en perfect gedrild
hoekig en arrogant —
gelijktijdig woest en fel —
wervelend elegant —
meanderend razendsnel —
om dan statit en stoer een reusachtige boog te beschrijven

zij dansen tango — zij dansen tango!
fier en hartstochtelijk een elitaire tango
zij dansen Astor Piazzolla en Malando
de Libeltango in de late zomerzon

(Bron: Zwanenzang/uitgegeven in eigen beheer, Roermond 2003)

Geplaatst in Elisabeth van Hilten | Tags: , | 1 reactie

Der Krieg/De oorlog (Franz Werfel)

Auf einem Sturm von falschen Worten
Umkränzt von leerem Donner das Haupt,
Schlaflos vor Lüge,
Mit Taten, die sich selbst nur tun, gegürtet,
Prahlend von Opfern,
Ungefällig scheußlich für den Himmel —
So fährst du hin,
Zeit,
In den lärmenden Traum,
Den Gott mit schrecklichen Händen,
Aus seinem Schlafe reißt
Und verwirft.

Höhnisch, erbarmungslos,
Gnadenlose starren die Wände der Welt!
Und deine Trompeten,
Und trostlosen Trommeln,
Und Wut deiner Märsche,
Und Brut deines Grauens,
Branden kindisch und tonlos
Aus unerbittliche Blau,
Das den Panzer schlägt,
Ehern und leicht sich legt,
Und das ewige Herz.
Mild wurden im furchtbaren Abend
Geborgen schiffbrüchige Männer.
Sein goldenes Kettlein legte das Kind
Dem toten Vogel ins Grab,
Die ewige unwissende,
Die Heldentat der Mutter noch regt sie sich.

Der Heilige, der Mann;
Hingab er sich mit Jauchzen und vergoß sich.
Der Weise brausend, mächtig.
Siehe,
Erkannte sich im feind und küßte ihn.
Da war der Himmel los,
Und konnte sich vor Wundern nicht halten,
Und stürzte durcheinander.
Und auf die Dächer der Menschen,
Begeistert, goldig, schwebend,
Der Adlerschwarm der Gottheit
Senkte sich herab.

Vor jeder kleinen Güte
Gehn Gottes Augen über,
Und jede kleine Liebe
Rollt durch die ganze Ordnung.

Dir aber wehe,
Stampfende Zeit!
Weke dem scheußlichen Gewitter
Der eitlen Rede!
Ungerührt ist das Wesen vor deinem Anreiten,
Und den zerbrechenden Gebirgen,
Den keuchenden Straßen,
Und den Toden, tausendfach, nebenbei, ohne Wert.
Und deine Wahrheit ist
Des Drachen Gebrüll nicht.
Nicht der geschwätzigen Gemeinschaft
Vergiftetes, eitles Recht!
Deine Wahrheit allein,
Der Unsinn und sein Leid,
Der Wundrand und das ausgehende Herz,
Der Durst und die schlammige Tränke,
Gebleckte Zähne,

Und die mutige Wut
Des tükischen Ungetüms
Der arme Brief von zu Hause,
Das Durch-die-Straße-Laufen
Der Mutter, die weise,
Das alles nicht einsieht.

Nu da wir uns ließen,
Und unser Jenseits verschmissen,
und uns verschwuren,
Zu Elend, besessen von Flüchen…
Wer weiß von uns,
Wer von dem endlosen Engel,
Der weh über unsern Nächten,
Zwischen den Fingern der Hände,
Gewichtlos, unerträglich, niederfallend,
Die ungeheuren Tränen weint?!

==============================

Op een storm van valse woorden
Omkranst van lege donder het hoofd
Onder de leugen slapeloos
Met daden die zichzelf slechts stellen omgord
Prat op offers
Ongevallig afschuwwekkend voor de hemel —
Zo reis je af
Tijd
De kletterende droom tegemoet
Die God met schrikwekkende handen
Uit zijn slaap ontrukt
En verwerpt.

Honend onmeedogend
Genadeloos stollen de wanden der wereld!
En je trompetten
En troosteloze trommen
En woede van je marsen
En gebroed van je grauw
Branden kinds en toonloos
Aan het onverbiddelijke blauw
Dat het harnas slaat
Onverzettelijk en licht zich neerlegt
Omheen het eeuwige hart.
Mild werd in de schrikbarende avond
Geborgen wrakhout van mannen.
Het kind legde zijn gouden kettinkje
Op de dode vogel in het graf
De eeuwig onwetende de
Heldendaad der moeder nog beweegt ze.

De heilige de man
Hij offerde zich met juichen en vergoot zich.
de wijze briesend machtig,
Ziet!,
Herkende zich in de vijand en kuste hem.
Toen was de hemel los
En wist het einde van zijn verwondering niet
En stortte zich te hoop.
En op de daken der mensen
Begeesterd, verguld, zwevend
De adelaarszwerm der godheid
Zwenkte zich neerwaarts.

Voor slechts maar het minste goeds
Slaat god zijn ogen op
En ook slechts de minste liefde
Doorstroomt de ganse wereldorde.

Maar wee gij
Stampende tijd!
Wee het afschuwwekkende onweer
Van het leeghoofdig woord!
Onberoerd is het door uw ijlende rit
En de stukbrekende bergen
De snuivende straten
En de doden, duizendvoudig, terloops, waardeloos.
En je waarheid is
Niet van het drakengedruis
Niet van de praatzieke goegemeente
Het giftige, ijdele recht!
je waarheid alleen
De onzin en zijn leed
De wondrand en het uitdovende hart
De dorst en de modderige dranken
Ontblote tanden

En de dappere razernij
van het arglistige gedrocht.
De armetierige brief van thuis
Het door-de-straat-geloop
Der moeder, de wijze,
dat niets van alles inziet.

Nu wij lieten betijen
En ons hiernamaals vergooiden
En tot ellende
Samenspanden van vloeken bezeten…
Wie weet van ons
Wie van de eindeloze engel
Die mistroostig over onze nachten
Tussen de vingers van zijn handen
Gewichtloos ondraaglijk neervallend
De ontzagwekkende tranen weent?!

(Geschreven op 4 augustus 1914. Franz Werfel, Oostenrijk 1890-1945, Joods-expressionistisch dichter.
Bron: We werden honderd jaar ouder, Dichters over de Eerste Wereldoorlog/Davidsfonds)

Geplaatst in Franz Werfel | Tags: , , , | 2 reacties

Gezicht op Monschau (Hendrik Carette)

Dit is het grootburgerlijk paradijs
van eikenhout
en kleinburgerlijke private paden en bruggen.

Geen heuvel werd hier geslecht
geen bos werd hier gerooid en alle boswegen
leiden naar Aken of naar de akelige Hoge Venen.

Hier kom je voor een zalmachtige riviervis
voor de romantische roering van de Ruhr
of voor dat statige Rode Huis in rococo.

En ook ik kom naar de Altstadt
en verlaat het winterwoud
vermomd als Wandervogel en Lichtmensch.

(Bron: ongepubliceerd/Hendrik Carette)

Geplaatst in Hendrik Carette | Tags: , | 1 reactie