Zonnige septembermorgen (H. Marsman)

De zomer en de late rozen
zijn zacht ontblaadrend uitgebloeid;
het bloedend vuur, het heete blozen
tot oud octobergoud vergloeid.

de groene vlammen van de boomen
– bestorven bruin en wingerdrood –
zijn van hun donkre drift benomen
o dag, o droom van blauw en goud!

het licht hangt in de honigraten
den vensters als een vochtig vlies
en morgenzon in de gelaten
waarin bij nacht de droefheid wies.

o zijden zonlicht, zacht kristal
hoe onbeschrijflijk mild en edel
verzilvert gij het smal ravijn
der huizen en de ranke schreden

der meisjes langs den waterval
en langs de gracht en op de bruggen
die teer gebogen ruggen
welven over het fulpen waterdal;

de kindren vangen met hun handen
de zachte speren; en hun mond
vangt het geluk met open tanden
van dauw en vochte morgenstond.

o witte wel, o waterval
omhuiverd door die vroege tent
van hemelsblauw, o firmament
dat koel en diep doorschijnend is;

genees mijn hart dat in den zomer
zoo ruw en rood gehavend werd;
genees het in het klare stroomen
voordat het droef en avond wordt.

(Bron: Verzamelde gedichten/Astoria Uitgeverij)

Geplaatst in Hendrik Marsman | Tags: , | 3 reacties

Aria I (Bettina Wöhrmann)

                                    für J.S. Bach

 

Die erste Stimme des Morgens

(die Angst ein Tropfen Regen

der unruhige Schlaf eines Kindes

das erste A Anna Magdalena)

schnitt der Stille die Adern auf

Was dann hereinströmte

durchs geöffnete Fenster

rührte an den schlafenden Körper

der Gambe weckte das Cembalo

Ein Klang wie aus Glas

als sei das Herz

des Morgensterns zersprungen

schwebte über dem Platz –

bis zum Holpern des ersten Wagens

auf dem Kopfsteinpflaster

 

 

(Bron:Weiss Biel/Tikkun)

Geplaatst in Bettina Wöhrmann, Uncategorized | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Tussen twee haakjes (Esther Jansma)

De dood maakt van mensen een plek.
De plek waar de man was: het lichaam

(hoe de haartjes in je nek, en hoe
en hoe) dat zich vergat

op de stenen in die straat, in die stad.
Later, het is nacht, er is een speelpleintje

(wij: schouder aan schouder, ongehaast,
een vriendschap zwijgzamer) vraag ik nog

hebben dingen een geheugen? Wijs
op twee van alle tegels die er liggen.

Stenen kistjes. Zonder geheugen
liggen ze er maar, zeg ik, zijn ze niet dit

hier, niet naast elkaar. Niets.
Het is stil waar ik sta. Later ook.

Het is op straat, nee, waar dan ook
dit: wat een plek maakt, weet die plek niet.

(Bron: Hier is de tijd/De Arbeiderspers)

Geplaatst in Esther Jansma | Tags: , | Een reactie plaatsen

Laten we de oude… (Hester Knibbe)

Laten we de oude

brieven verbranden, al die mooi
verregende zongebleekte woorden en regels
in vlammen zien opgaan maar schaamteloos

hun inhoud behouden. We hebben
geluk gehad, o wat hebben we –
                                Laten we

straks andere steden verkennen, door nieuwe
straten met muzikanten en slapers op banken
slenteren, wennen aan weggaan.
                                Laten we

daar eten drinken en geven

de zanger genoeg om dronken te worden
de bedelaar wat hem toekomt.

(Bron: Archaïsch de dieren/De Arbeiderspers)

Geplaatst in Hester Knibbe | Tags: , | 1 reactie

Vannacht ontwaken de kersenbomen (Martijn Benders)

In de vervaagde, municipale binnentuinen
ontwaken ’s nachts de kersenbomen.
Een roezende conciërge beent rond.
Nachtvlinders pruttelen er zacht
tegen een peertje, balkon driehoog.

Geluid, hij kijkt op. Naakt als een asperge
puilt ze uit het groen velours. Ze lacht.
Even licht zijn waakvlam en de klimop
van zinloze brieven die de wind
vroeger zichzelf schreef.

Een sleutelbos rammelt.
Zijn hand trekt het schuifslot los.
Bomen moffelen met hun wortels.

De geur van vers brood waait
ongewenst aan van straat.
Hij gaat zitten in het schamel kot

en zodra het eerste licht
het beslagen raam in veegt
beginnen zijn ogen te bewegen
als gordijnen soms doen
in spionagefilms.

(Bron: Karavanserai/Nieuw Amsterdam)

Geplaatst in Martijn Benders | Tags: , | Een reactie plaatsen

Die lied van die nagwind (D.F. Malherbe)

Ek lê op my bed so onrustig —
    dis middernag lank al verby;
en ek hoor hoe die nanag se luggie
    sy geheime vir die eike bely.

O nagwind, o nagwind, kom sê my,
    wat spreek tog jou ruisende lied?
Vertel jy ’n tyding van liefde?
    Bring my vrede of wee en verdriet?

Dit is my of duisende stemme
    van mense reeds lang weggekwyn,
vermeng met jou ruisende sugte
    hul eggo van droefheid en pyn.

Die voorsang van duisende wesens,
    nie-gebore, vertolk my jou sug,
die lied van hul komende weedom
    die dra jy so vreemd deur die lug.

O nagwind, ek hoor maar deurgrond nie
    jou klaende, suisende sang —
my hart klop sneller en sneller,
    my onrustige kindhart word bang!

(Bron: afrikaanse natuurpoësie, gedigte vir jong suid-afrika/Afrikaanse Pers-Boekhandel, Johannesburg 1968)

Geplaatst in D.F. Malherbe | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Allen (Aart van der Leeuw)

Zijn het enkel maar deez’weingen,
Die, den Droom te voet gevallen,
Zich aan zijnen aanblik reingen?
Neen, ik voel den gloed in allen.

Als in ’t najaar vogelscharen,
Zich verzaamlend voor zij trekken,
Blanker dan het schuim der baren,
Kust en duinenrug bedekken,

Eerst in aarzelend gewemel
Angstig door elkander kringend,
Dan ~ hun opvlucht naar den hemel,
En de zee het reislied zingend;

Zoo staan tallooze verlangers
Zuidwaarts naar den trans te turen;
Doch hun stem is niet des zangers,
Dus hun zucht zal ook niet dúren.

Kònden zij het blauw bevolken
Met hun beeldende gezichten,
Tuinen zouden door de wolken,
In een teelt van rozen, lichten;

Ieders ander land ging gloren
In een glans van zomerweders,
En zijzelven, nieuwgeboren,
Zweefden op ontploken veders.

Liefste, ik heb alleen van zeven
’t Lied der laatste hoop doen schallen,
Maar éen vers blijft ongeschreven:
Het gebed der duizendtallen.

(Bron: Opvlucht/C.A. Mees, Santpoort 1922)

Geplaatst in Aart van der Leeuw | Tags: , | Een reactie plaatsen

Geranium (Hans Vlek)

 

Amsterdam, 2 juli 1947 – ‘s-Hertogenbosch, 15 juli 2016

 

Vanuit de slechtzittende
schoolbank in een geur van stof
oud hout en pis, onder hoge ramen
in bladderend kozijn: het rood
van de geranium.

Mijn grootmoeder zwoegend boven
een tobbe in de tuin, en naast
het keurig tegelpad in rij, in het rood
waarvan mijn opa op vergaderingen
sprak: geraniums.

Thuis hadden wij er een
die nooit bloeien wilde omdat
iedereen zijn peuken doofde
in de pot. O god, de triestheid
van zijn harig-groene, knokelige
steel!

Geranium, prachtige bloem
die niet mooi is, wijn
van de kruidenier, kip
tussen de vogels, sieraad
van alles wat arm en goedkoop is.

(Bron: Zwart op wit/Querido)

Geplaatst in Hans Vlek | Tags: , | Een reactie plaatsen