Sinds ik het weet… (Jacqueline van der Waals)

Sinds ik het weet – ik weet het wel, ofschoon
Nog onder ons angstvallig wordt ontweken,
Het booze woord te noemen, dat bij ‘t spreken
Lacht ruw of wat onzuiver klinkt van toon, –

Sinds ik het weet, werd mij de overvloed,
De schoonheid en de zoetheid aller dingen,
Die mij alom omgeuren en omringen,
Nog wèl zoo liefelijk en wèl zoo zoet,

Sinds ik het weet, schijnt mij de atmosfeer
Doorwasemd en doorgeurd van zoele togen,
Het is of ieder zintuig en vermogen
Nog fijner werd en scherper dan weleer,

Sinds ik het weet, treed ik, wien ik ontmoet,
Den vreemden en den vrienden op mijn wegen,
Ontroerder en vertrouwelijker tegen,
En ‘k groet ze met een vriendelijker groet,

Sinds ik het weet, is God mij meer nabij
En vaak, in d’ernst van ‘t aardsche spel verloren,
Zoo ernstig en zoo diep als ooit te voren,
Gevoel ik plots Gods glimlach over mij.

(Bron: Laatste verzen, 1923)

Geplaatst in Jacqueline van der Waals | Tags: , | Een reactie plaatsen

Ring van trouw (Hélène Swarth)

Eens haatte ik, als symbool van slavenketen
      Den gouden schakel van het trouwverbond.
      Rampzalig dwaas noemde ik wie zich vermeten
Vlinders te binden die m’ in ‘t blauwe vond.

Maar sedert gij – nooit zal ‘k dien dag vergeten –
      Uw ring mij boodt uit rooden liefdemond,
      Weet ik een geheim, nooit zonder u geweten:
Die kleine ring omspant heel ‘t wereldrond.

O plechtig plukte ik, schier van weelde aan ‘t weenen,
      Als uit een roos in Tooverland, uw ring.
En uit dien ring, door zomergloed beschenen,

Straalt nu ‘t geluk, dat zooveel leed verving,
      Een atmosfeer van goudlicht rond mij henen:
Uw liefde omringt mij als een tooverkring.

(Bron: Gedichten/P.N. van Kampen & Zn)

Geplaatst in Hélène Swarth | Tags: , | 2 reacties

De stad (Anton van Duinkerken)

[1]

Hoe blij liet ik mijzelf beloven:
‘Wij zullen naar de stad toe gaan!’
Ik was een kind. Het onderst boven
Kwam alles, wat ik kende, staan.

De spanning in mijn reisbegeren
Dreef in mijn droom een volk bijeen
Ten optocht naar het huis des Heren,
Van elk geluk de drempelsteen.

Verwonderlijke pronkgewaden
Bezielden zich in ‘t uitstalraam,
Het werden heiligen. Zij baden
Om broederschap in Jesus’ naam.

Elektrisch licht uit winkelruiten
Sloeg regenvochtig asfalt goud.
Er dromden kinderen naar buiten
Uit een gebouw van eeuwen oud.

Zij groepten zich in felle stoeten,
Die groeiden tot de horizon
Om mij, hun gast, te komen groeten,
Zodra de dageraad begon.

[2]

Te traagzaam kropen de seconden
Aan ‘t nachtlijk vergezicht omhoog.
Komt uit huw hokken, luie honden,
Gij, kleuren van de regenboog!

Een zwarte wolk krijgt diafane
Goudvlekken tot benedenrand.
Er kraait een haan. Er kraaien hanen.
De morgen zet de lucht in brand.

Wij klimmen juichend in de wagen
En bolderen de keiweg af.
Hel klettert in het klaren dagen
De trappelklank van onze draf.

Er zweven nevels op de weiden,
Een blauwe damp op het kanaal.
De brug! Wij moeten stapvoets rijden.
En dan zie ik de kathedraal!

Geen argeloosheid ging verloren,
Waarbij ik ‘t visioen vergat
Van ‘t ochtendwazen om de toren
Bij ‘t zichtbaarworden van de stad.

[3]

De mens is de meemens vergeten.
Elk denkt aan zijn eigen verdriet.
Wij kruisen elkaar en wij weten
Elkanders kruisiging niet.

Als graan op een akker van lijden,
Geschonden in stengel en aar,
Staan wij in de hagel der tijden
Vijandig-vervreemd van elkaar.

Van zoeklicht doorzenuwde nachten
Ontrusten het hemelgewelf.
De stad is het gonzen der klachten,
Die iedereen klaagt om zichzelf.

Een tweestrijd van prijzen en lonen
Houdt broeders van broeders gekeerd.
Wij hebben ‘t maatschappelijk wonen
In hechte gemeenschap verleerd.

De steden zijn stinkende hopen
Verderf in een dorrende tuin,
Ze liggen voor ondergang open,
Europa heeft steden van puin.

[4]

Mensen leven en werken
Niet enkel uit eigen gedachten;
Dromen van vroeger geslachten
Moeten het huidige sterken.

Burgers, aaneengesloten,
Let op de heldere wetten,
Waarin uw vaderen zetten,
Hoe zij het leven genoten.

Bijen zoemen uit hun korven
Binnen en uit in de zomer;
Ieder die keert, wordt een komer
Met buit, voor allen verworven.

Wilden wij mensen zo leven,
Eendracht bewarend als bijen,
Al ons geluk zou gedijen;
Elk zou aan allen zich geven.

Bruiloft vierden de harten
Met de begrippen der rede.
Stad zou een woord zijn voor vrede,
Aarde geen soortnaam voor smarten.

[5]

Het stadsmysterie is veelvuldig
En openbaart zich niet op slag.
Het havenwater kaatst geduldig
Zijn stadsbeeld naar een hemeldag,

In uitgedeinde rimpelingen
Wordt hier de samenhang verpuurd
Der duizend alledaagse dingen
Wier lot ons aanzijn overduurt.

Uit waterparels voegen paden
Een stad, die nimmermeer vergaat.
Daar gaan in heldere gewaden
Uitsluitend heiligen over straat.

De gevels blinken als robijnen
Bij ‘t minnespel van zon en maan,
Daar wordt in vreugd van cherubijnen
Het heimwee van ons hart verstaan.

Standvaste stad van ons behagen,
Doorziel ons hierzijn van uw stem,
Leer ons als burgers ons gedragen
Van ‘t eeuwige Jeruzalem.
(Bron: Verzamelde gedichten/Het Spectrum)

Geplaatst in Anton van Duinkerken | Tags: , | Een reactie plaatsen

Terug thuis in de polder (Eriek Verpale)

Terug thuis, en de straten al iets netter
vind ik het huis in diepe zeemansrust.
Ha! nieuwe overgordijnen, zeg ik
en een kachel die minder trekt
terwijl buiten, nog in de ongeschonden wei
het allereerste paardeveulen.

“Hier ontbreekt”, zo denk ik dan vaak
(en hou de kop schuin tegen het licht in)
alleen nog een kat en jonge sla –
maar ach, hoe bij nader toezicht blijkt,
terwijl ik langzaam naar het venster schrijd,
dat schier van alles hier nog te weinig is.

En ‘s avonds, zoals vroeger voor het raam
schrijf ik, maar weet tegelijk dat ik
niets hier, niets prijs kan geven
en hoor nog hoe, van ver achter de muren,
moeder, – eindelijk rustig – alweer
haar laatste tranen bet, want:

wat overblijft is niet gering
maar ach, onvoldoende toch
opdat het genoeg zou wezen.

(Bron: Koebel, 3e jaargang nr. 9. Via deusexmachine.be)

Geplaatst in Eriek Verpale | Tags: , | 1 reactie

Staketsel (Hedwig Speliers)

Dit is de wiskundige schoonheid
van oud hout rechtgeaard in het water
zo draagt het de dwarsliggers
het zeegat in en wij wandelen —
wij worden weer Jezus en wij wandelen
boven de hoofden der vissen
het zeegat in.

Zie, naast ons spant zich een scharlaken zeil in,
schuim rekt amechtig de kop
tegen de boeg op, tegen de flank,
tekent onuitstaanbare haast chinese tekens
in het kielzog. En wij wandelen.

En zie, onze bewondering
is een vuist die samenbalt
is een hand die opent met daarin :
de wonderlijke vangst van wieren, elastisch
als het verjaarde vel van een vrouw,
van schelpen volkleurig,
van roddelende mossels
en mos, dat van diepte droomt
op de honderden gelijkmatig afgeronde balkons
van donker basalt. Het brons
wordt blauw en boven, vooral boven,
toevallige vissers gelovend
in de wonderbaarlijke visvangst.
Hun ogen vallen door de mazen van het net.
Het net dat net werd opgehaald
met niets, met niets
dan open monden en een geronnen glimlach —

jawel, dit is de wiskundige schoonheid
van oud hout. Tijdeloos van het getij
het heen en terug
het heen en terug
het heen en terug.

(Opgenomen in: Gedichten 1966/Davidsfonds)

Geplaatst in Hedwig Speliers | Tags: , | 1 reactie

Ets (Gerrit Achterberg)

De bomen waren tot een staalgravure
gebeten tijdens mijn afwezigheid.
Toen ik terugkwam stonden zij de tijd
tegen te houden en verscherpt te duren,

In droge naald gezet voor de azuren
avond, aftekenend hun takken wijd.
Daaronder lag het huis in veiligheid
en kon ik doorgaan met dezelfde uren

aan u besteed; zij bleven uitgespaard.
Ik had alleen de plaat binnen te treden;
de voordeur achter mij op slot te deon.

De kamers hielden u bijeenvergaard.
Er hing een geur lavendel, onversneden.
Een grijze braam besloeg de ruit als toen.

(Bron: Het weerlicht op de kimmen/Em. Querido’s Uitgeverij)

Geplaatst in Gerrit Achterberg | Tags: , | Een reactie plaatsen

Zomerochtend in Sainte-Croix (Miriam Van hee)

zoals stilte beschreven kan worden
door wind, regen, geklapwiek
en verder weg een vrachtwagen
die op de hellingen klimt
en aarde verplaatst

tijd door lengende dagen
eenvoud door ingewikkeldheid
en liefde door het moment
waarop jij aarzelt in de deuropening
waar plots zo’n nevelig licht
in valt en omkijkt
waar ik gebleven ben

(Bron: Achter de bergen/De Bezige Bij)

Geplaatst in Miriam Van hee | Tags: , | 1 reactie

I want to talk about you (Rogi Wieg)

God, geef mij nog een laatste
gedicht. In Uw metaforen beveel
ik mijn lichaam en geest.

Laat mijn dood een bloemlezing
zijn van iemand en iets. God,
maak van mijn pijn een bloementrompet
en maak van mij een vuurzee van water.

Zo zal ik niet sterven, maar ga ik
alleen een beetje dood. In mijn
ruggenmerg strooit U confetti
en daaruit zullen vleugels groeien.

Zo zal ik gezelschap voor U zijn
en U vliegensvlug voorlezen uit
oude boeken. Mijn God, ik zal
U niet verlaten.

[Amsterdam, 16 mei 2015]

(Bron: Extaze.nl)

Geplaatst in Rogi Wieg | Tags: , , , , | 2 reacties