Sint-Niklaas-versje bij een kalender (Jacobus van Looy)

Dat Sint, gemijterd, in scharlaken pak,
Met paard en knecht hoog over daken rijdt,
Gelooven alle kindren; zij zijn blijd’
En zoet als hij maar diep tast in den zak.
Maar dat nog ’n oudre dan de Bisschop schrijdt
Over ons hoofd heen, rustloos, nimmer zwak,
Geregeld tredend als ’t gerikketak
Van ’n pendule, is voor grooten ’n zekerheid.
Die dat gestaâg bepeinst, kan ‘m ’s nachts zien gaan,
Uit neevlen tredend tègen ’t donker aan,
Plechtig en hoog in ’t witte licht der maan.
Zoo een zit stil dan in vergetenheid,
Verdroomt zijn uren, terwijl almaar schrijdt,
Eenzelvig gaand’, de nooit-neêrziende Tijd.

(Bron: Jac. van Looy, Gedichten/ A.W. Sijthoff’s Uitgeversmaatschappij, Leiden 1932)

Geplaatst in Jac. van Looy | Tags: , | 1 reactie

De telefoonpaal (Karel van den Oever)

Langs het eenzaam spoor
de telefoon-paal.
Hij gonst.
Er is geen ander geluid
langs het eindeloos spoor.
Een wolk drijft over hem
en is onverschillig.
Het landschap “gaat zijn gang”…
Toch gonst de telefoon-paal dag en nacht,
onder de hemel.
Het is een verlaten pijn,
een onophoudelijke klacht…
Als wij hem hooren :
ons hart breekt, in zelfpijn verloren.
We weten dat over de gansche wereld
de telefoon-paal klaagt,
alsof onze eigen smart
aan zijn draden knaagt.

(Bron: Brevarium der Vlaamse Lyriek, Marnix Gijsen/Wereldbibliotheek Amsterdam-Antwerpen, 1953)

Geplaatst in Karel van den Oever | Tags: , | Een reactie plaatsen

De droom (Henriëtte Roland Holst-van der Schalk)

Opnieuw kwamen de dagen grauw omwonden
met grauwe sluiers. Dof zwegen hun ogen
mij aan. Ik voelde mij bedrogen
om de vreugd die de stemmen toch verkondden.

Toen op een nacht nam de droom mij mee
op lichte geruisloze wieken;
in mij en om mij begon muzieken;
het grauwe floers verglee — verglee.

Ik was weer samen in de open sfeer
van Liefde en van Moed met haar profeten;
de kracht van het glanzende weten
bezat mij weer.

’t Was niet der woorden armen zin:
zij gingen alreeds in mij onder;
het was het oude nieuwe wonder
van de bron die opwelt diep binnen-in

en maakt rondom zich sfeer van dingen
klaar als kristal en zacht als verend mos.
Een stem raakte verruklijk los,
bleef heel den dag in mij nazingen.

(Bron: Bloemlezing uit de gedichten van Henriëtte Roland Holst-van der Schalk, gekozen en ingeleid door dr. G. Stuiveling/W.L. & J. Brusse n.v. Rotterdam 1951)

Geplaatst in Henriëtte Roland Holst-van der Schalk | Tags: , | 1 reactie

Lief mij weinig… Elisabeth Zernike

‘Lief mij weinig, maar lief mij lang.’
‘k Zie het blinken van uw ogen;
Gij, die dikwijls zijt bevlogen
Door een sterken minnedrang,
Glimlacht om dien ouden zang,
Zo behoedzaam ingetogen:
‘Lief mij weinig, maar lief mij lang.’

Meent ge dat ik meer verlang
Dan de wijsheid wil gedogen?
Ook háár adem houdt bewogen
En ik eer haar zachten dwang —
‘Lief mij weinig, maar lief mij lang.’

(Bron: Kleine drieklank/Querido 1956)

Geplaatst in Elisabeth Zernike | Tags: , | 2 reacties

’s Ochtends (Rodaan Al Galidi)

’s Ochtends zie ik het leven
naast mijn bed.
Ik verwelkom haar.
Ze zegt: ik ben geen bezoeker.
Ik denk: in welke tijd praat ik met haar?
Ik sta op, zij staat op.
Ik loop, zij loopt.
Wil ze uitgelaten worden? Ze zegt: ik ben geen hond.
Niet om over mezelf te vertellen ben ik bij jou,
maar om geleefd te worden.
In de drukte raak ik haar kwijt, maar als ik terugkeer,
zie ik haar
naast mijn bed.
Was het prettig voor haar? Dat ze even alleen was?
Ik blader door haar om haar te lezen.
Ze zegt: ik ben geen woorden.
Ben je dan slaap?
Ik hoor het woord
‘misschien’,
doe het licht uit,
laat mijn lichaam bij haar
en vertrek.

(Bron: Koelkastlicht/Uitgeverij Jurgen Maas)

Geplaatst in Rodaan Al Galidi | Tags: , | 3 reacties

16.12. (Elke Erb)

Mag sein, dasz dem Birkenhain
an seinem unteren und rechten Rand
ein Graben gezogen war, darin

Lenz für Lenz mit gelben
Pelzköpfchen der Huflattich trieb,
und – unter dem Hain – von den Sprossen

ein eigenes schmales Pleateau inwendig stand,
bis das Jahr drüber weg war, ich will
der Natur nicht diktieren, was war.

===========

VERTALING DOOR WIEL KUSTERS

16.12

Best mogelijk dat bij het berkenbosje
onderlangs en aan de rechterkant
een greppel gegraven was, waarin

ieder voorjaar weer met gele
pluizenbollen klein hoefblad uitliep,
en – onder het bosje – de spruiten

een eigen smal plateau bekleedden, inwendig,
tot het jaar eroverheen was, ik wil de natuur
niet voorschrijven te zeggen wat er was,
gebeurd is.

 

(Bron: Raster 107/De Bezige Bij)

Geplaatst in Elke Erb, Wiel Kusters | Tags: , , | Een reactie plaatsen

In de herfst en in de natte winters… (Hugo Claus)

In de herfst en in de natte winters
zijn er dagen dat er niets gebeurt
binnenshuis. Niets dan het breken van het verleden,
als het breken van een verleden dag in glas,
als het smelten van vijverstukken ijs,
zodat het eraan moet, het verleden, het moet eraan.
Maar het verleden en het vandaag geven niet op,
zij draaien in een paardenmolen, geven elkaar de hand
en worden weer weken en maanden en eindelijk getijden.
Er zijn dagen
dat de uurwerken van alle torens van het land
een half uur achter staan
en niet één van de wintermensen heeft het gemerkt,
en de verlorene, door niemand opgespaarde halve uren
rijden door dorp en stad, ongezien, achter de trams en
de boerenpaarden en kleven samen tot een nieuwe dag,
zoals sneeuw een ijsman vormt,
tot een ijsdag voor de eenzamen,
voor wie alle avonden heilig zijn
als deze.

(Bron: Gedichten/De Bezige Bij. Opgenomen in: De geur van ieder seizoen/521)

Geplaatst in Hugo Claus | Tags: , | Een reactie plaatsen

Ode aan een bloem in Casara (Pier Paolo Pasolini)

Verweesde bloem, buiten de kring
van onze huizen waar de families
onder de blote hemel staan te ruziën,

nederig brand je op de stenen
van de dag, en rondom jou
zijn land en lucht
als lucht en zee.

Verweesde veldbloem,

geen avond die druipt van licht.

Geen herders nat van dauw,

vuur dat in de hagen smeult.

Geen dotterbloem, bosbes, moerasviooltje,
gentiaan of iris, geen angelica,
mirte of parnassia.

Pieruti ben je, en Zuán,
en lange Bepi de bonenstaak
aan het roer van z’n kar,

weidebloem.

Stro word je. Brand, brand,
zon van mijn dorp, kleine, verweesde bloem.

Boven jou verstrijken de jaren,
zoals ook ik verstrijk, met de schaduw van de acacia’s
en de zonnebaan op deze kalme dag.

(Bron: Vaarwel en beste wensen, Pasolini, Poëzie & Plemieken. Vertaling: Piet Joostens/Polis)

Geplaatst in Pier Paolo Pasolini | Tags: , | 1 reactie