Bosvijver (Tom van Deel)

 

Soms zie ik de Bosweg voor me, vijvers
bruine bladeren, als ’s avonds in de boom
voor huis houtduiven zitten en met veel
geraas verspringen door het groen.
Verband bestaat er niet. Toch loop ik dan
als toen naar donker water toe. het ruikt.
Op de bodem aan de kant weerspiegelt tak
en blad. Wat dreef ligt onder, hangt
erboven. Dekt wat geweest is af.

 

(Bron: Recht onder de merels/Querido)

Geplaatst in Tom van Deel | Tags: , | Een reactie plaatsen

Wat niet loslaat (Albertina Soepboer)

 

Wat niet loslaat, gaat op in sneeuw
storm. Geen gezicht is nog te zien.
De weerman heeft het over felle vorst,
een vrouw zoekt schaduwen van vonken.
Diep als aarde nadert het, pakt haar
beet en bevriest haar in winterkleed.

 

(Bron: De hengstenvrouw/Prometheus)

Geplaatst in Albertina Soepboer | Tags: , | Een reactie plaatsen

Het was donker (Hendrik Marsman)

Het was donker,
hij lag op zijn bed.
hij had het raam op de haak gezet,
opdat het getij van de nacht
door de baai van zijn kamer kon gaan
en zijn dromen stijgen en dalen
op de golven der maan,
en hij dacht:
‘hoe vaster ik slaap,
des te zwaarder slaapt het heelal,
hoe dieper ik ademhaal
hoe hoger de nacht
en het lied van de nachtegaal.
kan het zijn,
dat van Genesis af
het parabolisch Verhaal,
de Ellips der Geschiedenis –
tot het vuur van de Apocalyps
de laatste beelden verbrandt,
de luchter, het boek en het lam –
niets anders is
dan het vluchtige spiegelbeeld
van mijn slaap, tussen dromen verdeeld?’

(Bron: Verzamelde gedichten/Querido)

Geplaatst in Hendrik Marsman | Tags: , | Een reactie plaatsen

Ik herinner me (Hilde Keteleer)

Ik herinner me dat ik nog niet bestond.
Ik vond gebaren uit, genot en glans
lagen over een landschap van heide en brem.
Ik wist dat dit de stem zou zijn van reizen.
Dat rode bessen gif zouden blijken, en witte
de wensen die onder de maretak groeien.

Ik herinner me dat ouder worden
een ven zou zijn, omringd door glinstering
van vleesetende planten en vastgekleefde insecten.
Ik wist dat wilde eenden zouden overvliegen
naar het westen, en ik op de zompige bodem
zou staan, alleen door de mare bereden.

Ik herinner me dat ik me herinnerde
hoe de kamperfoelie, tweelippig en welriekend,
groeide rond een doodgegane stam.
Ik wist dat ik ooit zou bestaan
en zou uitkijken naar wat voorbij was,
de laatste en, de laatste of, de laatste maar.

 

Met dank aan Hilde Keteleer

(Bron: Deuren/Uitgeverij Wereldbibliotheek)

Geplaatst in Hilde Keteleer | Tags: , | 2 reacties

Winterse dageraad (Michel van der Plas)

Winterse dageraad,
kom nog niet, kom nog niet:
tegen uw oevers staat
huiverend het riet.

Licht ontwend, heeft het zich
ijskussens toevertrouwd;
nacht maakt het nederig,
vorst maakt het oud.

Geen van de stengels draagt
zilveren pluimen meer;
koude en stormmisbaar
sloegen ze neer;

elk nest dat tussen hen
roerdompen hoedde is
naakt als de stengels en
kil van gemis.

Laat het riet rillen, ach,
laat het maar eenzaam zijn:
geef het geen goud, geen dag,
laat het zijn pijn.

Geef het geen goud: in ijs
leerde ’t berusten; o,
daarom, voor jaren wijs,
huivert het zo.

Winterse dageraad,
kom dus niet, kom nog niet:
tegen uw oevers staat
brekend het riet.

(Bron: Gedichten/Ambo)

Geplaatst in Michel van der Plas | Tags: , | 1 reactie

Sonnet (P.Cz. Hooft)

Leitsterren van mijn hoop, planeten van mijn jeucht,
Vermogen oogen schoon in hemels vuyr ontsteken
Als ghij u vensters luickt soo sietmen mij ontbreken
    Mijns levens onderhout, een teder soete vreucht:
    Want ghij besluit daer in een saligende deucht
Vriendlijcke vrolijckheit; de Min met al sijn treken,
Jock, Lach, Bevallijckheit daerinne sijn geweken
    En wat ter werelt is van wellust en geneucht.
Natuire die daer schijnt in droeve damp begraven,
    Doort missen van u glans, betreurt haer rijckste gaven,
    Die gh’ altesaem besluit in plaets soo nau bepaelt,
Doch nau en is sij niet, gelijck het schijnt van buiten,
    Maer wijt en woest genoech om alles in te sluiten,
    Daer sich mijn wufte siel soo ver in heeft verdwaelt.

                                                            D. M. V. S.
                                                              Chariclea.

(Bron: Erotische Gedichten van P. Cz. Hooft, ingeleid en toegelicht door C.C. van Slooten/W.J. Thieme & Cie Zutphen, Amsterdam 1927)

Geplaatst in P. CZ. Hooft | Tags: , | 1 reactie

Samen (Leo Vroman)

 

Een venster zonder landschap.
Louter kleine wolken zeilen te voorschijn,
langs, en weg.
Het blauw kon mijlen diep
onder de muur en vloer zijn,
alsof de kamer voer door het azuur.
Soms horen wij vandaar geprevel of stromend water,
En talloze werelden later,
dromend hoe lang geleden
wolken langs vensters gleden,
fluisteren we; ontwaken,
zien ons beiden in het duister
en het raam langs de wolken glijden.

 

(Bron: 262 gedichten/Querido)

Geplaatst in Leo Vroman | Tags: , | 1 reactie

IJsbloemen (Tom Kristensen)

ijsbloemen-op-ruit

 
 
 
Koude wilde vlammen lichten buiten.
Gloeiend is de zon in kou gebaad.
Vorst spreidt ijs over mijn ruiten,
een tropisch woud van koudehaat.

Palmbladeren staan in lichter laaie,
maar hun ademwitte schijn verrijst,
als dreigend blanke zwaarden zwaaiend
uit het donker dat het raam omlijst.

Heldere varenplanten zie ik wuiven
bij een steile, stijf bevroren pas,
scheurend ijs waar flitsen schuiven
trekkende een schervenspoor van glas.

Bladeren schieten uit hun schede
met een weefsel als de dag zo wit,
als gevormd in een bezielde snede,
plotseling in tropenbrand verhit.

Als broze vliegenvleugels steken
glinsterbloemen uit een doornenhaag,
rinkelen scherp, en takken breken
door het ijs heen met een koel gekraak.

Maar voorbij die knetterende ijslianen
schemert toch de lucht, met vuur en licht,
als het verre blauw van de vulkanen,
zon en ijs in grillig schitterende schicht.

Ach, dat ik het niet eerder heb herkend,
dit vulkaanblauw achter bos en zoom,
ik begin te snappen, waar ik ben:
aangekomen ben ik bij mijn blauwe droom.

Ik verduurde angst, bevoer de stromen
van de aarde, doorstond hun stormtumult,
maar zie mijn jonge, wilde dromen
hier pas op mijn eigen raam vervuld.

(Bron: Een maan door het koren, Deense poëzie van de twintigste eeuw/De Bezige Bij. Vertaling: Gerard Rasch)

Geplaatst in Tom Kristensen | Tags: , | Een reactie plaatsen