Kruispunt (Lucas Malan)

En dan verlaat jy op ‘n dag die huis
daar langs die hoekkafee, die sukkelbuurt.
Jy loop soos een wat gaan en jy sterf af:
Jou ma met haar hande vol deeg, die stoof
wat jy soggens gestook het. Pa nog doenig
met ‘n lendelam stoel — ‘n hele gedruis
is dit daar by die afdak met broers
wat korswel en swets op mekaar. Maar jy
gee pad, jy los die spul, jy draf.

Die trein se galop wordt hamerslag op
die maat van ontvlug uit die dorp:
‘n reisiger nou, word jy oplaas nuwe ek
wat kan praat en beplan — jy het vertrek
na bestemmigs ver buite die kring
om ‘n aandete-tafel, die naweekbesoek
van troppies familie gemoedelik saai
en behoudend soos Kersfees en skool.

Nou vervreem van die goed wat jou hou,
haal jy busse en treine; bekom ‘n oornag
en leer ook die enkelvertrek kos jou wat.
Maar jy loop nou alleen en jy loop
mos die pad van verdwijning deesdae —

Kruispunt//En dan verlaat je op een dag het huis : daar naast de winkel op de hoek, die sukkelende buurt. / Je loopt als een die gaat en je sterft af: / Je ma heeft haar handen vol deeg, de over / die je ‘s ochtends hebt gestookt. Pa nog doende / met een wankele stoel — een heel gedruis / is het daar bij het afdak met broers / die grappen maken en op elkaar schelden. Maar jij / vertrekt, jij laat ze daar, jij bent weg. // De galop van de trein wordt hamerslag op / de maat van de ontvluchting uit het dorp: / een reiziger nu, word je uiteindelijk een nieuw ik / dat kan praten en plannen maken — je bent vertrokken / naar bestemmingen ver buiten de kring / om een tafel met avondeten, weekendbezoek / van troepen familie gemoedelijk saai / en behoudend als kerstfeest en school. // Nu vervreemd van het goed dat je houdt, / haal je bussen en treinen; krijgt een overnachting / en leert ook dat een enkel vertrek je wat kost. / Maar je loopt nu alleen en je loopt / toch de weg van verdwijning dezer dagen. //

(Bron: Edenboom/H A U M-literê. Opgenomen in: O wye en droewe land/Meulenhoff)

Geplaatst in Lucas Malan | Tags: , | Een reactie plaatsen

In het holst… (Dimitri Verhulst)

In het holst van deze madrugada tellen wij de lome slagen,
het trage slaken van een kerkklok in een aangename verte.
Een oude eeuw wordt hier nog uitgegeeuwd en echoot
alsof de ene berg aan de andere berg de uren doorvertelt.

Het raam staat open, jij ligt zonder weerga op het laken,
languit en van de ontroering een vergeten lengtemaat
en de maan is een geitekaasje en vol van zichzelf.

Wat mogen moet, wat ik nu durf: eindelijk bevind ik mij.
Als ik mij met iemand moest hebben voortgeplant ja dan
met jou, op deze door een geitekaas bepaalde plaats.

(Bron: opgenomen in ‘Feesten van liefde & begeerte’Lannoo)/

Geplaatst in Dimitri Verhulst | Tags: , | Een reactie plaatsen

Estaminet de l’Esperance (Anton van Duinkerken)

Lang is het murenwit vervaald,
maar in zijn eikenhouten lijst
verhaalt
een schoon poëem de levensloop van stichters,
die het uitbundig prijst.

Hier is het leven niet luidruchtig meer:

Minnaars verdromen er
hun prille smarten.
De jongste stamgast is vergrijsd.
En twee verlopen dichters
komen er
een enk’le keer
biljarten.

(Bron: Verzamelde gedichten/Uitgeverij Het Spectrum)

Geplaatst in Anton van Duinkerken | Tags: , | 2 reacties

Moederken (Guido Gezelle)

‘t En is van u
hiernederwaard,
geschilderd of
geschreven,
mij, moederken,
geen beeltenis
geen beeld van u
gebleven.

Geen teekening,
Geen lichtdrukmaal,
geen beitelwerk
van steene,
‘t en zij dat beeld
in mij, dat gij
gelaten hebt,
alleene.

o Moge ik, u
onweerdig, nooit
die beeltenis
bederven,
maar eerzaam laat
ze leven in
mij, eerzaam in
mij sterven.

(Bron: Verzameld dichtwerk/De Nederlandsche Boekhandel)

Geplaatst in Guido Gezelle | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Vermoeidheid (Leonard Nolens)

Als wij, de grote mensen, moe zijn
Van het praten met elkaar,
Als wij moe zijn van het slapen
Met elkaar, het wandelen
En handeldrijven met elkaar,
Het tafelen en oorlog voeren

Met elkaar, als wij zo moe zijn
Van elkaar, van het elkaren
Van elkaar, dan zetten wij de kat
Op onze schouder, gaan de tuin in
En zoeken de kinderstemmen achter
De hoge hagen en in de boomhut.

En zwijgend leggen wij onze vermoeidheid
In het gras, en de jaren die zwaar
En donker sliepen in de zoom
Van onze jas ontbloten zich daarboven
In een jongenskeel en dansen op
En neer in een vochtige meisjesmond.

Als wij, de grote mensen, moe zijn
Van het praten,
Van het praten,
Van het praten met elkaar,
Gaan wij de tuin in en verzwijgen ons
In de kat, in het gras, in het kind.

(Bron: En verdwijn met mate/Querido. Opgenomen in: Feesten van liefde & begeerte/Lannoo)

Geplaatst in Leonard Nolens | Tags: , | Een reactie plaatsen

Begreffenis (A.H.F. Meertens)

Wie ich ins es klenge jong
de klokke hoeët loewe,
zoe dreuvig en dof,
zoe duuster en zjwoer,
doe zag mich de mam:
“dat is vur enge doeë,
dat die klokke zoe loewe.”

Huu wet wir ènge begrave
en durch zieng noabere
noa der kerkhof gedrage.
Der gèselekke kumt ze noe taege,
um ‘t liek zienge zèëge te gaeve.
Da trekke ze wier, ‘t kruuts vurrop,
de luu achter de zerk bène hellop,
of vertèlle uvver dae wet begrave,
offe zich good of sjlech hat gedrage.

Drek drage ze de kis de kèrk noa binne,
da begint der kuster gans dreuvig te zinge.
‘t Wedde e gans dèel mèsse gelaeze,
en de luu in de benk gunt zich noe baene,
dat ozze Hergod d’erm zieël
der hiejemel moag gaeve.

Doa zunt der oach, die kieke get rond,
of kalle gans sjtel met ‘n hand vur der mond
uvver wat der doeë meug’lik had noageloate.
Dat zunt der, die minge dat zie altied blieve laeve,
die dinke neet an die zerk gans kot der naeve.

Op ‘t lets va de mès gaet alles um gen elter.
Da werpe ze cente in enge koapere telder.
E doeëdeprinsje wet hun gegaeve
en ze beginne al onder ‘t loape te laeze,
wie good en wie braaf der doeë wal woar
en kieke noa zie geboarte en sjtervesjoar.

Da kump der kaploan of Hier Dèëke,
um ‘t liek wir der zèëge te gaeve.
De drègesj drage der doeë dan oet
en op nuutsj wedde de klokke geloed.
Da wed e noa der kerkhof gebrach,
woe zie graaf is oaëpe gelag
en went der kaploan da avingt te zinge,
kinne der al veul hun troane neet mie bedwinge.

‘t Graaf kriet oach nog der zaege.
Wir ins beginne de luu noa te baene.
Doanoa kumt ‘t allergroeëtste laed,
es me ‘t kruuts van de zerk aafdaed
en de kis langzaam de aed in gaet.
Da komme de troane iejesj richtig droet
en vurral de vrouwe kriesje zich oet.

Eng letste kier kieke ze nog
en da wèd de famielje noa ‘t sjterfhoes gevrog.
Doa sjtaet allang der koffie met bruuëdsjes geraed,
zoe wie me dat hie bie eng begreffenis daed.
En wie langer ze aete en drinke,
des te winniger ze der doeë gedinke.
Want al gauw komme de flesjsje met glazer,
dat hulp um der doeë met weuët te beklage.
Dèks doert dat zoe wal der ganse daag,
mè toch gunt der smiddes nog e paar noa ‘t graaf.

Sovves gaet de begreffenisfamielje
met “adieje” noa haem,
es der vollegende sjturf komme ze,
“es God blif”, wir ‘ns biejae.
Der doeë, dae liek sjtèl onder gen aed.
Dae hèsj noe “zilliger”, zoe wie me da zaet.

(Gulpens dialect. Bron: Gebroken zwijgen, Gedichtenbundel door: A.H.F. Meertens)

Geplaatst in A.H.F. Meertens | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Het huis (Renée van Riessen)

Niet lang duurde het breken van ons huis.
De serre bleef nog even zweven
en gaf een doorkijk op het leven:
met elke kamer opende een kluis.

De schoorsteenmantel ligt vreemd andersom,
en zichtbaar werd de binnenkant van muren.
Verborgenheid kan nu niet langer duren.
Tot heel de buurt zeggen de resten: ‘kom’.

(Twintig jaar Times viel met doffe klap
neer in het puin. Alsof bewezen
moest dat hier iedereen kon lezen.
Er zitten slakken aan de wenteltrap.)

Het stof trekt langzaam de bouwval op.
Nu weten we: wij waren koningskinderen,
voordat de kou valt moeten wij een woning vinden.
Buurmeisjes spelen in de kelder met mijn pop.

(Bron: Gevleugeld/ontvleugeld, Uitgeverij Bert Bakker)

Met een warm dank-je-wel aan Renée voor haar toestemming!

Geplaatst in Renée van Riessen | Tags: , | Een reactie plaatsen

Gedicht met zeewater geschreven (Paul Snoek)

Ziet, schier leeg en schreeuwerig is de zee nu
vol schilfers van te diep gestorven vissen.
De zachtste schelpen missen hun povere broosheid
en zijn heel kort doorzichtbaar als een zenuw.

Verlaten handhaven de dunne planten zich niet langer.
Zwemmen is bijna onmogelijk voor hen
en ook de kans op adem halen is aanzienlijk
verminderd en wellicht weldra
door murwe weduwen verboden.

Zouter is het zeefruit van de oceanen nog,
maar ook hun zeeschuim lijkt op tijdelijke onsmeltbare
hagel. De zouten eeuw van de zee is ten einde.
Ook die van het zogende zand, het welriekende zog
van enige vreemde schepen, grijs en onleesbaar.
Ja, zo is het.

(Bron: Gedichten 1954-1970/Manteau)

Geplaatst in Paul Snoek | Tags: , | Een reactie plaatsen