Der September (Erich Kästner)

Das ist ein Abschied mit Standarten
aus Pflaumenblau und Apfelgrün.
Goldlack und Astern flaggt der Garten,
und tausend Königskerzen glühn.

Das ist ein Abschied mit Posaunen,
mit Erntedank und Bauernball.
Kuhglockläutend ziehn die braunen
und bunten Herden in den Stall.

Das ist ein Abschied mit Gerüchen
aus einer fast vergessenen Welt.
Mus und Gelee kocht in den Küchen.
Kartoffelfeuer qualmt im Feld.

Das ist ein Abschied mit Getümmel,
mit Huhn am Spieß und Bier im Krug.
Luftschaukeln möchten in den Himmel.
Doch sind sie wohl nicht fromm genug.

Die Stare gehen auf die Reise.
Altweibersommer weht im Wind.
Das ist ein Abschied laut und leise.
Die Karussells drehn sich im Kreise.
Und was vorüber schien, beginnt.

(Bron: Die 13 Monate/Atrium Verlag. Opgenomen in: September,
Gedichte/Reclam)

Advertenties
Geplaatst in Erich Kästner | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Koekoek (Roland Jooris)

Als een koekoek
zou ik nu en dan
eens willen roepen,
ergens verscholen
in een bosje
aan de rand
van akkerland;

als een koekoek
zou ik elk jaar weer,
met mijn eenzelvig
stukje tekst,
heel vanzelfsprekend
bij de zomer
willen horen,
aanwezig maar
onvindbaar
in mijn landgoed
van taal.

(Bron: Gedichten 1958-78/Lotus. Opgenomen in: Spiegel van de moderne Nederlandse poëzie/Meulenhoff-Kritak)

Geplaatst in Roland Jooris | Tags: , | Een reactie plaatsen

Stoel (J. Bernlef)

Overal staat zij bij
in een hoek met haar
rug tegen de muur
kaarsrecht en op 4 poten

zelden onderwerp van
gesprek of affectie
(je neemt een stoel
niet op schoot) blijft zij

trouw overeind kiest
geen partij altijd be-
schikbaar ontroerend goed
in al haar houten eenvoud

zelfs in dromen
weigert zij te lopen
staande slaapt zij
met mijn kleren aan

(Bron: Gedichten 1970-1980/Querido)

Geplaatst in J. Bernlef | Tags: , | Een reactie plaatsen

Het woord (Lieve van Hoestenberghe)

 

Hoe wij elkander vinden
In het zacht omhulsel taal.
Hoe wij draden binden
Van het hakkelend verhaal.
Hoe wij leven zonder vinden.
Hoe wij zoeken met omhaal
Van woorden, op de tenen
Van de taal. Houden wij

Elkander, o elkander
Houden wij elkander
Toch maar even vast.

 

(Bron: Gedichten 87, een keuze uit de tijdschriften/Davidsfonds)

Geplaatst in Lieve van Hoestenberghe | Tags: , | Een reactie plaatsen

Our hands/Onze handen (Kona Macphee)

This evening, as you touch my arm, again I see
the strange alikeness of our hands:
your hand is my hand, swelled into a man’s;
two sketches, on two scales, of one terrain.
And now you take a pencil, tilt the light,
and borrowing my writing paper, lined in feint-rule blue,
you move your hand to find the contours of my face across the white.
If I could only touch your hand
and take your gentle skill in my like hand,
I’d draw my mirror vision of the portraiture
that only love and skill conjoined can make –
but even in this clumsy hand of mine
your face is framed in love across these lines.

============================

Vanavond, wanneer je mijn arm aanraakt, zie ik
opnieuw de vreemde gelijkenis van onze handen:
jouw hand is mijn hand, gezwollen tot die van een man;
twee schetsen, op twee schalen, van een enkel terrein.
En nu pak je een potlood, je kantelt het licht
en op papier dat je van mij leende, met vaag-blauwe
lijntjes, beweeg je je hand om op het hele vel
de contouren van mijn gezicht te vinden.
Als ik je hand kon aanraken en jouw tedere
vaardigheid in de mijne kon nemen, zou ik
een spiegelbeeld maken van het portret
dat alleen liefde en kunst tezamen kunnen maken –
maar zelfs met deze klunzige hand van mij
wordt jouw gezicht in deze regels liefdevol ingelijst.

(Bron: Guardian, Poem of the Week, 5 November 2007. Opgenomen in: Voor je ogen/Amnesty International. Vertaling: Daan Bronkhorst)

Geplaatst in Kona MacPhee | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Vandaag (Koos Schuur)

Vandaag verricht het leven weer
wondren om nooit van te genezen
elke verandering is een vordering
en een blanco cheque
in te vullen met raad en daad
inzicht en uitzicht
elk woord heeft alle betekenissen
in een eindeloze variatie van toon
ik heb een woord gevonden
dat in mijn handen verstijft

vandaag waait de wind uit een heldere hoek
mysterieus en klaar als verte
verwachting verijdelt de woorden
tot een ochtendnevel van alleenspraak
er is een woord dat ademt als een herfstwoud
er is een woord dat ademt als de zee
ik heb een woord gevonden
dat niet meer ademt

vandaag van blauw gefilterd licht
is weer de morgen

(Bron: Gedichten 1940-1960/De Bezige Bij)

Geplaatst in Koos Schuur | Tags: , | Een reactie plaatsen

Aanwezigheid (Hans Warren)

Je bent bij mij in het grijze ochtendbreken
als ik door bedauwde velden ga en vroege zon
de wolken overstraalt met rosse streken
en als de zilver-toeë klaver openplooit.
Je bent op het strand waar de golfslag breekt
en zilte wind de haren ros verbleekt.
Zee en plas stromend wervelend in elkaar,
in het diepste water dat ik graaf spiegelt je beeld.
Halmen staan trillend in het middagveld,
blindend van helgeel licht in koolzaadbloemen.
Je loopt tussen het wuivend stengelwiegen,
het zijn bijen die je liefste namen zoemen.
In de avondrust, waar lange schaduw valt
en witte vlinders van de nacht weifelend pozen,
is daar je glimlach, al zo lang verwacht?
De wind speelt teder in de jonge rozen.

(Bron: Verzamelde gedichten 1941-1971/Bert Bakker)

Geplaatst in Hans Warren | Tags: , | Een reactie plaatsen

Troost des donkers (J.C. Bloem)

Temidden der gezelligen gezeten
Bij de vertrouwdheid van de rosse haard –
Wat is het, dat ik mij opeens versmeten
Gevoel, en van een wegende angst bezwaard?

Wat is het, dat ik bij het schertsend praten
Mijn mond niet meer kan plooien tot een lach,
En dat mij uitjaagt langs de barre straten,
Beladen met de zware winterdag?

Ik was toch nooit van hen die ’t leven smaden,
Wier droom zich niet van de eigen laagheid keert,
Ik heb altijd, in dichten en in daden,
De onstuimigheid van dit bestaan begeerd.

Maar o de zwakke en bittere ogenblikken,
Als ik de kracht tot strijden voel vergaan,
Als ’t in mij opstormt en mij wil verstikken:
Heel de versmaadheid van dit aards bestaan.

Dan kan ik hun niet langer toebehoren,
Licht-levenden, vervreemd van droom en gloed,
In ’t zonnig ijs van het geluk bevroren
Tot rustgen, die geen smart zelfs lijden doet.

Zo vlucht ik dan en zoek de stille wegen
Terzijde van het luide hart der stad:
De nauw door een lantaarn verlichte stegen;
Langs ’t mistend kanaal het glibrig pad.

Waar weinige grauwe mensen mij ontmoeten,
Wellicht genoten van mijn doffe leed,
Begerende voor hun verzworven voeten
De grond, die geen gelukkige betreedt.

Daar baad ik in de vloed der duisterheden,
Die alle droefheid van mij henen spoelt,
En weet: aan ’t eind van alles wat wij leden,
Is de vervulling, die de wonden koelt.

Dan voel ik mij in ’t donkere verglijden,
Dan eindig ik niet langer in dit vlees,
Maar uit mijn wezen gaat een vreemd verwijden
Naar iets, dat verder is dan lust en vrees.

En, wat vermoeid, maar vol van zulk een vrede,
Dat smart een damp wordt zonder vorm of wicht,
Kan ik weer keren ter gewende stede,
Langs blijde mensen, in het open licht.

(Bron: Verzamelde gedichten/Polak & Van Gennep)

Geplaatst in J.C. Bloem | Tags: , | Een reactie plaatsen