Die lied van die nagwind (D.F. Malherbe)

Ek lê op my bed so onrustig —
    dis middernag lank al verby;
en ek hoor hoe die nanag se luggie
    sy geheime vir die eike bely.

O nagwind, o nagwind, kom sê my,
    wat spreek tog jou ruisende lied?
Vertel jy ‘n tyding van liefde?
    Bring my vrede of wee en verdriet?

Dit is my of duisende stemme
    van mense reeds lang weggekwyn,
vermeng met jou ruisende sugte
    hul eggo van droefheid en pyn.

Die voorsang van duisende wesens,
    nie-gebore, vertolk my jou sug,
die lied van hul komende weedom
    die dra jy so vreemd deur die lug.

O nagwind, ek hoor maar deurgrond nie
    jou klaende, suisende sang —
my hart klop sneller en sneller,
    my onrustige kindhart word bang!

(Bron: afrikaanse natuurpoësie, gedigte vir jong suid-afrika/Afrikaanse Pers-Boekhandel, Johannesburg 1968)

Geplaatst in D.F. Malherbe | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Allen (Aart van der Leeuw)

Zijn het enkel maar deez’weingen,
Die, den Droom te voet gevallen,
Zich aan zijnen aanblik reingen?
Neen, ik voel den gloed in allen.

Als in ‘t najaar vogelscharen,
Zich verzaamlend voor zij trekken,
Blanker dan het schuim der baren,
Kust en duinenrug bedekken,

Eerst in aarzelend gewemel
Angstig door elkander kringend,
Dan ~ hun opvlucht naar den hemel,
En de zee het reislied zingend;

Zoo staan tallooze verlangers
Zuidwaarts naar den trans te turen;
Doch hun stem is niet des zangers,
Dus hun zucht zal ook niet dúren.

Kònden zij het blauw bevolken
Met hun beeldende gezichten,
Tuinen zouden door de wolken,
In een teelt van rozen, lichten;

Ieders ander land ging gloren
In een glans van zomerweders,
En zijzelven, nieuwgeboren,
Zweefden op ontploken veders.

Liefste, ik heb alleen van zeven
‘t Lied der laatste hoop doen schallen,
Maar éen vers blijft ongeschreven:
Het gebed der duizendtallen.

(Bron: Opvlucht/C.A. Mees, Santpoort 1922)

Geplaatst in Aart van der Leeuw | Tags: , | Een reactie plaatsen

Geranium (Hans Vlek)

 

Amsterdam, 2 juli 1947 – ‘s-Hertogenbosch, 15 juli 2016

 

Vanuit de slechtzittende
schoolbank in een geur van stof
oud hout en pis, onder hoge ramen
in bladderend kozijn: het rood
van de geranium.

Mijn grootmoeder zwoegend boven
een tobbe in de tuin, en naast
het keurig tegelpad in rij, in het rood
waarvan mijn opa op vergaderingen
sprak: geraniums.

Thuis hadden wij er een
die nooit bloeien wilde omdat
iedereen zijn peuken doofde
in de pot. O god, de triestheid
van zijn harig-groene, knokelige
steel!

Geranium, prachtige bloem
die niet mooi is, wijn
van de kruidenier, kip
tussen de vogels, sieraad
van alles wat arm en goedkoop is.

(Bron: Zwart op wit/Querido)

Geplaatst in Hans Vlek | Tags: , | Een reactie plaatsen

Sonnet XVI (Pablo Neruda)

Amo el trozo de tierra que tú eres,
porque de las praderas planetarias
otra estrella no tengo. Tú repites
la multiplicación del universo.

Tus anchos ojos son la luz que tengo
de las constelaciones derrotadas,
tu piel palpita como los caminos
que recorre en la lluvia el meteoro.

De tanta luna fueron para mí tus caderas,
de todo el sol tu boca profunda y su delicia,
de tanta luz ardiente como miel en la sombra

tu corazón quemado por largos rayos rojos,
y así recorro el fuego de tu forma besándote,
pequena y planetaria, paloma y geografía.

=============================================

Ik hou van het beetje aarde dat jij bent,
omdat ik in alle melkwegweiden
geen andere ster heb. Jij weerspiegelt
en verveelvoudigt het heelal

Je grote ogen zijn het licht dat ik bewaar
uit de verslagen sterrenstelsels,
Je huid huivert net als de wegen
die de meteoor bereist in de regen.

Van zoveel maan waren voor mij je heupen,
van alle zon je diepe mond en zijn genot,
van zoveel gloeiend licht, als honing in de schaduw,

je hart geschroeid door lange rode stralen,
en zo bereis ik het vuur van je vorm,
en kus je, kleintje en planeet, duif en geografie.

(Bron: Honderd Liefdessonnetten (Cien Sonetas de Amor)/Prometheus)

Geplaatst in Pablo Neruda | Tags: , | Een reactie plaatsen

Auberge Trouville (Bert Voeten)

In hemdsmouwen zit de zondag
onder de parasols,
kauwend, zwetend –
een welvaart met nieuwe bretels.

Tussen de bomen is het dik
van mosselgeur.
De schelpen sperren de bek.
De cider plonst op de tong.

Oorlogend om de tafels
de wespen. De natuur,
onhebbelijk eerlijk, houdt
de angel geslepen gereed.

(Bron: De tijd te lijf en andere gedichten/Bezige Bij)

Geplaatst in Bert Voeten | Tags: , | 1 reactie

De deurknop (J. Nienhuis)

De deurknop
ouderwets
van hout
met simpel mekaniek-
wat wankel
maar eenmaal
in ‘t slot
wist ik mij
buiten schot.

De dromen
die ik heb gedroomd
bleven wél bewaard-
hoe heb ik
in de schemering
-deurknop-
naar je gestaard.

Je was
een leven lang
mijn redding
mijn gevaar:
je opende
met aarzeling
de vuurhouten
toegang tot
het binnenst
van mijn hart-
wat wankel
maar eenmaal
in ‘t slot
wist ik mij
buiten schot.

(Bron: Windharp/De Beuk)

Geplaatst in J. Nienhuis | Tags: , | 1 reactie

Op de brug (Gunnar Ekelöf)

Appelbloesems onder verhelderde hemel
het berkenfloers in de schemering,
groen en fris geurend van regen…
En daar, als een ark
in de nevelzee van de wei,
de stal die mistig rood
wegdrijft…

Stemmen dichtbij
en stemmen ver weg –
weemoed van lenteschemer…
We stonden altijd op de brug.
We bleven lang staan
in blauwende avonden
als de snoeken sloegen
– we zagen de kring groeien,
zagen de baan van de maan
als een grillige slang
in het overjarig riet…

De fietsen van de jongens tegen het hek…
De echo’s van het land, een verre lach,
een golf van seringengeur,
gedempte gesprekken,
lentenacht.

(Vertaald door H.C. ten Berge. Bron: Op een mat van gele veren, Poëzievertalingen 1968-2003/Athenaeum-Polak & Van Gennep)

Geplaatst in Gunnar Ekelöf, Uncategorized | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Stilstaand water (Marco Termes)

Middag. Na de bui.
Plassen staan in kleine kuilen.
Heldere open ogen in asfalt.
In het daglicht kun je de hemel
zien bewegen via de bodem.

De spiegeling als gedenkteken
dat alles verandert. Niets blijft.
Juist niet wat met tederheid ziet
en wat met tederheid terugkijkt.

Een kind stampt in een plas
met speels geweld. Een moeder
sist: loop nou eens door.

Later – op weg naar de nacht –
zie je in de lange straat de lichten
van de stad weerkaatsen. Kleurig
oppervlak van verwaterd kunstlicht.
Gesloten winkels en open kroegen.

Met je schoenneuzen aan zo’n rand.
Uit de hoogte zie je jezelf.
Het liefst meten we versleten jaren
aan de stromende rivier.
De illusie van ‘iets gaat vooruit.’

In stilstaand water zien we te
duidelijk onze lijnen in onze huid.
Onze minieme rimpelingen in tijd.

De diepte in onszelf.
De troebele bodem.
De grootte van de plas.

(Bron: Puur Termes/Klapwijk & Keijsers Uitgeverij)

Geplaatst in Marco Termes | Tags: , | Een reactie plaatsen