Hart boven hard (Charles Ducal)

HartbovenHard_KLEUR3-e1410788156744






Zij die de wereld herleiden tot een portefeuille
en op die schaal scherper kunnen zien
waar de bron ligt, vullen almaar gulziger hun kruiken,
denkend: wie de bron bezit, bezit ook de rivier.

Hoeveel water dient geput
om één portefeuille te doen zwellen?
Hoeveel kruiken blijven droog als de dorst van één
de dorst van allen mag miskennen?

Zij die het hard spelen kunnen moeilijk horen
hoe in zoveel kruiken het hart luider slaat.
Hoe woede tot geloof, geloof tot een besef rijpt
dat als water zal gaan stromen tegen stroom:

de bron zijn wij.

(Bron: https://www.facebook.com/pages/HART-BOVEN-HARD/1531569170390942)

Geplaatst in Charles Ducal | Tags: , | 1 reactie

Requiem – Auf den Tod eines Knaben (Rainer Maria Rilke)

Was hab ich mir für Namen eingeprägt
und Hund und Kuh und Elefant
nun schon so lang und ganz von weit erkannt,
und dann das Zebra —, ach, wozu?
  Der mich jetzt trägt,
steigt wie ein Wasserstand
über das Alles. Ist das Ruh,
zu wissen, daß man war, wenn man sich nicht
durch zärtliche und harte Gegenstände
durchdrängte ins begreifende Gesicht?

Und diese angefangnen Hände —

Ihr sagtet manchmal: er verspricht…
Ja, ich versprach, doch was ich Euch versprach,
das macht mir jetzt nicht bange.
Zuweilen, dicht am Hause, saß ich lange
und schaute einem Vogel nach.
Hät ich das werden dürfen, dieses Schaun!
Das trug, das hob mich, meine Augenbraun
waren ganz oben. Keinen hatt ich lieb.
Liebhaben war doch Angst —, begreifst du, dann
war ich nicht wir
und war viel größer als ein Mann
und war
als wär ich selber die Gefahr,
und drin in ihr
war ich der Kern.

Ein kleiner Kern; ich gönne ihn den Straßen,
ich gönne ihn dem Wind. Ich geb ihn fort.
Denn daß wir alle so beisammen saßen,
das hab ich nie geglaubt. Mein Ehrenwort.
Ihr spracht, ihr lachtet, dennoch war ein jeder
im Sprechen nicht und nicht im Lachen. Nein.
So wie ihr alle schwanktet, schwankte weder
die Zuckerdose, noch das Glass voll Wein.
Der Apfel lag. Wie gut das manchmal war,
den festen vollen Apfel anzufassen,
den starken Tisch, die stillen Frühstückstassen
die guten, wie beruhigten sie das Jahr.
Und auch mein Spielzeug war mir manchmal gut.
Es konnte beinah wie die andern Sachen
verläßlich sein; nur nicht so ausgeruht.
So stand es in beständigem Erwachen
wie mitten zwischen mir und meinem Hut.
Da war ein Pferd aus Holz, da war ein Hahn,
da war die Puppe mit nur einem Bein;
ich habe viel für sie getan.
Den Himmel klein gemacht, wenn sie ihn sahn, ~
denn das begriff ich frühe: wie allein
ein Holzpferd ist. Daß man das machen kann:
ein Pferd aus Holz in irgend einer Größe.
Es wird bemalt, und später zieht man dran,
und es bekommt vom echten Weg die Stöße.
Warum war das nicht Lüge, wenn man dies
‘Pferd’ nannte? Weil man selbst ein wenig
als Pferd sich fühlte, mähnig, sehnig,
vierbeinig wurde — (um einmal ein Mann
zu werden?) Aber war man nicht
ein wenig Holz zugleich um seinetwillen
und wurde hart im stillen
und machte ein Vermindertes Gesicht?

Jetzt mein ich fast, wir haben stets getauscht.
Sah ich den Bach, wie hab ich da gerauscht,
rauschte der Bach, so bin ich hingesprungen.
Wo ich ein Klingen sah, hab ich geklungen,
und wo es klang, war ich davon der Grund.

So hab ich mich dem Allen aufgedränt,
Und war doch Alles ohne mich zufrieden
und wurde trauriger, mir mir behängt.
  Nun bin ich plötzlich ab~geschieden.
Fängt
ein neues Lernen an, ein neues Fragen?
Oder soll ich jetzt sagen,
wie alles bei euch ist? — Da ängst ich mich.
Das Haus? Ich hab es nie zo recht verstanden.
Die Stuben? Ach da war so viel vorhanden.
…..Du Mutter, wer war eigentlich
der Hund?
Und selbst, daß wir im Walde Beeren fanden,
erscheint mir jetzt ein wunderlicher Fund
……………………………………….

Da müssen ja doch tote Kinder sein,
die mit mir spielen kommen. Sind doch immer
welche gestorben. Lagen erst im Zimmer,
so wie ich lag, und wurden nicht gesund.

Gesund…Wie das hier klingt. Hat sas noch Sinn?
Dort, wo ich bin,
ist, glaub ich, niemand krank.
Seit meinem Halsweh, das ist schon so lang —

Hier ist ein jeder wie ein frischer Trank.

Noch hab ich, die uns trinken, nicht gesehen
……………………………………





(Bron: Requiem, Im Insel Verlag zu Leipzig, 1948)

Geplaatst in Rainer Maria Rilke | Tags: , , , , | 1 reactie

Aan Luna (A.C.W. Staring)

NA DE BESCHOUWING VAN EEN’ LUCHTSTEEN

Vrouw Maan ! (of moest het JONKVROUW zijn,
        Trots Latmus wildernissen ?)
Vrouw Maan ! de lamp heeft SCHIJNS genoeg;
        Men kan uw WEÊRSCHIJN missen.

        Spaar vrij die ongevergde gunst —
Dat malsch gelonk voor andren;
        Ik hoor, sinds ik uw parten ken,
Niet tot uw medestandren.

        Hiet dit een vreedzaam hemelbuur,
Naar voeg en plicht, bejeegnen,
        Wanneer uw moedwil keien gaart,
Die ge op ons erf laat reegnen?

        Gij moogt dan mikken — al of niet;
Een blinde smeet kon raken;
        En steenproefd weet men, hier te land,
Geen vilten hoed te maken.

        Kortom, de maat is boordevol.
Dit had ik u te melden.
        LA LANDE staat als schildwacht uit; —
Nog eens, dan zal ‘t u gelden!

        Hij spreekt, en Po en Rhone zwoegt,
Om luchtballons te weven.
        Men stormt naar Vlootvoogd GARNERIN,
Uit lust van meê te zweven.

        Daar schuimt en dampt het zwavelzuur,
In honderd duizend tonnen!
        De Maanarmee verlaat den grond,
Bij ‘t buldren der kanonnen.

        Zij klimt; zij is het zwerk al door,
Waarin uwe Etna’s branden;
        Om plotslijk, aan de Nectarzee,
Met droge keel te landen.

        Buig, Keienraapster, buig den nek;
Laat straks uw vivat hooren;
        En zet, als wij, de kaars voor ‘t glas —
Het vendel op den toren!

1804

Latmus = gebergte in Klein Azië waar Diana’s vrijage met Endymion voorviel
parten = streken
smeet = worp
te weven: van zijde
Garnerin = Frans luchtvaarder
Nectarzee = Mare Nectaris, op de Maankaarten
glas = venster

(Bron: A.C.W. Staring, Gedichten/N.V. Uitgevers-Mij “Elsevier”. Recensie-Exemplaar 1940)

Geplaatst in A.C.W. Staring | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Het firmament (Nico Scheepmaker)

Dit is mijn stad, waar in het Vondelpark
de boterbloemen mensen zijn geworden,
die in een door Le Roy geschapen orde
uit heel de wereld zijn bijeengeharkt.

Zij zitten overdag bij ‘t Monument
te luisteren naar ‘t getokkel van gitaren
terwijl de Amsterdammers naar ze staren:
niet een die hier zijn eigen jeugd herkent.

Maar wel de droom ervan: een vaag besef
dat dit het was wanneer je op je rug
de lucht bekeek, met alle sterren aan.

Maar ja, je had geen rugzak en geen lef,
en keerde haastig weer naar huis terug
als het je tijd werd om naar bed te gaan.

(Bron: Hopper’s Holland/Erven Thomas Rap. Opgenomen in: Wie zegt dat ik na veertien regels zwijg? Bloemlezing uit Nederlandse sonnetten van 1966 tot 1980/C.J. Aarts)

Geplaatst in Nico Scheepmaker | Tags: , | Een reactie plaatsen

Sein (Lloyd Haft)

Doorkómen is doorbréken: zicht is nergens zacht.
De tak kraakt. Stort neer. Wat je ziet
is donker erachter. Want hemel is onze broeder niet,
zien is geen lichter zijn. ‘t Is een andere macht.

Zie wanneer de aar opent – als haar vracht
in hardte is opgewassen tegen het lichtgebied
waarin zij aarden zal, dat zomer overliet
aan wind, waarin het samen wordt uiteengebracht.

Licht komt niet zacht boven de weiden. Glas,
één scherf stukgeslagen, dat jaren lag
bij een blik dat roestte, waar bloedroom sap van ijzer op

droogde, brandend, tot zon vanuit dit droge gras
één flits hief, boven de hectaar van de dag
één baken, torenend uit een condoom en een flessendop.

(Bron: De 100 beste gedichten uit 1996 gekozen door Herman de Coninck/Stichting VSB Poëzieprijs – Uitgeverij De Arbeiderspers. Oorspronkelijk: Anthropos/Querido)

Geplaatst in Lloyd Haft | Tags: , | Een reactie plaatsen

Deductum carmen (Hendrik Carette)

sappho


Onanerend als een oudtestamentische Onan
ja, die zoon van Juda
die zijn zaad op de grond liet versterven.

Opgewekt als een nieuwe Ovidius Naso
of onthutst en ontdaan
in een onrein hol der ontucht.

Op zoek naar een wijde opening
in de donkere grot van Plato
of naar dat zwarte gat van Sappho.

Onder drang van zijn mannelijke en vrouwelijke
hormonen opeens ineengestrengeld en verstijfd
en zo niet meer aan zijn dood ontkomend.


(Met dank aan de dichter zelf!)
(Afbeelding: Sappho – Mikhail Aleksandrovich Vrubel)

Geplaatst in Hendrik Carette | Tags: , | 1 reactie

L’invitation au voyage (Charles Bodelaire)

      Mon enfant, ma sœur,
      Songe à la douceur
D’aller là-bas-vivre ensemble!
      Aimer à loisir,
      Aimer à mourir
Au pays qui te ressemble!
      Les soleils mouillés
      De ces ciels brouillés
Pour mon esprit ont les charmes
      Si mystérieux
      De tes traîtres yeux,
Brillant à travers leurs larmes.

Là, tout n’est qu’ordre et beauté,
Luxe, calme et volupté

      Des meubles luisants,
      Polis par les ans,
Décoreraient notre chambre;
      Les plus rares fleurs
      Mêlant leurs odeurs
Aux vagues senteurs de l’ambre,
      Les riches plafonds,
      Les miroirs profonds,
La splendeur orientale,
      Tout y parlerait
      À l’âme en secret
Sa douce langue natale.

Là, tout n’est qu’ordre et beauté,
Luxe, calme et volupté.

      Vois sur ces canaux
      Dormir ces vaisseaux
Dont l’humeur est vagabonde;
      C’est pour assovir
      Ton moindre désir
Qu’ils viennent du bout du monde.
      — Les soleils couchants
      Revêtent les champs,
Les canaux, la ville entière,
      D’hyacinthe et d’or;
      Le monde s’endort
Dans une chaude lumière.

Là, tout n’est qu’ordre et beauté,
Luxe, calme et volupté.

(Bron: De 100 allermooiste gedichten van de Europese poëzie, samengesteld door Ilja Leonard Pfeijffer en Gert Jan de Vries/Meulenhoff)

Geplaatst in Charles Baudelaire | Tags: , , | 4 reacties

Gedicht zonder Dom (Gerrit Komrij)

In Utrecht zit een gekke stad verborgen
Die er niet uit wil. Soms verraadt ze iets,
Gewoon maar op een doordeweekse morgen
Of in een lichtval. Meestal is er niets.

Het sleutelwoord is grijs. Het zonlicht staakt.
De nevel danst door kelders, steeg en nis
En straten waar het altijd zondag is.
Een knooppunt, lelijk in de knoop geraakt.

De stank en dat verdomde carillon!
Maar soms ontsnapt er lucht uit de ballon
En wordt de stad een stad om lief te hebben.

Steenklomp krijgt kleur. Het net van spinnenwebben
Wordt zelf een hersenspinsel. In de gracht
Drijft op een baar de prins die op me wacht.

(Bron: Boemerang en andere gedichten/De Bezige Bij)

Geplaatst in Gerrit Komrij | Tags: , , | 2 reacties