Laten we de oude… (Hester Knibbe)

Laten we de oude

brieven verbranden, al die mooi
verregende zongebleekte woorden en regels
in vlammen zien opgaan maar schaamteloos

hun inhoud behouden. We hebben
geluk gehad, o wat hebben we –
                                Laten we

straks andere steden verkennen, door nieuwe
straten met muzikanten en slapers op banken
slenteren, wennen aan weggaan.
                                Laten we

daar eten drinken en geven

de zanger genoeg om dronken te worden
de bedelaar wat hem toekomt.

(Bron: Archaïsch de dieren/De Arbeiderspers)

Geplaatst in Hester Knibbe | Tags: , | 1 reactie

Vannacht ontwaken de kersenbomen (Martijn Benders)

In de vervaagde, municipale binnentuinen
ontwaken ‘s nachts de kersenbomen.
Een roezende conciërge beent rond.
Nachtvlinders pruttelen er zacht
tegen een peertje, balkon driehoog.

Geluid, hij kijkt op. Naakt als een asperge
puilt ze uit het groen velours. Ze lacht.
Even licht zijn waakvlam en de klimop
van zinloze brieven die de wind
vroeger zichzelf schreef.

Een sleutelbos rammelt.
Zijn hand trekt het schuifslot los.
Bomen moffelen met hun wortels.

De geur van vers brood waait
ongewenst aan van straat.
Hij gaat zitten in het schamel kot

en zodra het eerste licht
het beslagen raam in veegt
beginnen zijn ogen te bewegen
als gordijnen soms doen
in spionagefilms.

(Bron: Karavanserai/Nieuw Amsterdam)

Geplaatst in Martijn Benders | Tags: , | Een reactie plaatsen

Die lied van die nagwind (D.F. Malherbe)

Ek lê op my bed so onrustig —
    dis middernag lank al verby;
en ek hoor hoe die nanag se luggie
    sy geheime vir die eike bely.

O nagwind, o nagwind, kom sê my,
    wat spreek tog jou ruisende lied?
Vertel jy ‘n tyding van liefde?
    Bring my vrede of wee en verdriet?

Dit is my of duisende stemme
    van mense reeds lang weggekwyn,
vermeng met jou ruisende sugte
    hul eggo van droefheid en pyn.

Die voorsang van duisende wesens,
    nie-gebore, vertolk my jou sug,
die lied van hul komende weedom
    die dra jy so vreemd deur die lug.

O nagwind, ek hoor maar deurgrond nie
    jou klaende, suisende sang —
my hart klop sneller en sneller,
    my onrustige kindhart word bang!

(Bron: afrikaanse natuurpoësie, gedigte vir jong suid-afrika/Afrikaanse Pers-Boekhandel, Johannesburg 1968)

Geplaatst in D.F. Malherbe | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Allen (Aart van der Leeuw)

Zijn het enkel maar deez’weingen,
Die, den Droom te voet gevallen,
Zich aan zijnen aanblik reingen?
Neen, ik voel den gloed in allen.

Als in ‘t najaar vogelscharen,
Zich verzaamlend voor zij trekken,
Blanker dan het schuim der baren,
Kust en duinenrug bedekken,

Eerst in aarzelend gewemel
Angstig door elkander kringend,
Dan ~ hun opvlucht naar den hemel,
En de zee het reislied zingend;

Zoo staan tallooze verlangers
Zuidwaarts naar den trans te turen;
Doch hun stem is niet des zangers,
Dus hun zucht zal ook niet dúren.

Kònden zij het blauw bevolken
Met hun beeldende gezichten,
Tuinen zouden door de wolken,
In een teelt van rozen, lichten;

Ieders ander land ging gloren
In een glans van zomerweders,
En zijzelven, nieuwgeboren,
Zweefden op ontploken veders.

Liefste, ik heb alleen van zeven
‘t Lied der laatste hoop doen schallen,
Maar éen vers blijft ongeschreven:
Het gebed der duizendtallen.

(Bron: Opvlucht/C.A. Mees, Santpoort 1922)

Geplaatst in Aart van der Leeuw | Tags: , | Een reactie plaatsen

Geranium (Hans Vlek)

 

Amsterdam, 2 juli 1947 – ‘s-Hertogenbosch, 15 juli 2016

 

Vanuit de slechtzittende
schoolbank in een geur van stof
oud hout en pis, onder hoge ramen
in bladderend kozijn: het rood
van de geranium.

Mijn grootmoeder zwoegend boven
een tobbe in de tuin, en naast
het keurig tegelpad in rij, in het rood
waarvan mijn opa op vergaderingen
sprak: geraniums.

Thuis hadden wij er een
die nooit bloeien wilde omdat
iedereen zijn peuken doofde
in de pot. O god, de triestheid
van zijn harig-groene, knokelige
steel!

Geranium, prachtige bloem
die niet mooi is, wijn
van de kruidenier, kip
tussen de vogels, sieraad
van alles wat arm en goedkoop is.

(Bron: Zwart op wit/Querido)

Geplaatst in Hans Vlek | Tags: , | Een reactie plaatsen

Sonnet XVI (Pablo Neruda)

Amo el trozo de tierra que tú eres,
porque de las praderas planetarias
otra estrella no tengo. Tú repites
la multiplicación del universo.

Tus anchos ojos son la luz que tengo
de las constelaciones derrotadas,
tu piel palpita como los caminos
que recorre en la lluvia el meteoro.

De tanta luna fueron para mí tus caderas,
de todo el sol tu boca profunda y su delicia,
de tanta luz ardiente como miel en la sombra

tu corazón quemado por largos rayos rojos,
y así recorro el fuego de tu forma besándote,
pequena y planetaria, paloma y geografía.

=============================================

Ik hou van het beetje aarde dat jij bent,
omdat ik in alle melkwegweiden
geen andere ster heb. Jij weerspiegelt
en verveelvoudigt het heelal

Je grote ogen zijn het licht dat ik bewaar
uit de verslagen sterrenstelsels,
Je huid huivert net als de wegen
die de meteoor bereist in de regen.

Van zoveel maan waren voor mij je heupen,
van alle zon je diepe mond en zijn genot,
van zoveel gloeiend licht, als honing in de schaduw,

je hart geschroeid door lange rode stralen,
en zo bereis ik het vuur van je vorm,
en kus je, kleintje en planeet, duif en geografie.

(Bron: Honderd Liefdessonnetten (Cien Sonetas de Amor)/Prometheus)

Geplaatst in Pablo Neruda | Tags: , | Een reactie plaatsen

Auberge Trouville (Bert Voeten)

In hemdsmouwen zit de zondag
onder de parasols,
kauwend, zwetend –
een welvaart met nieuwe bretels.

Tussen de bomen is het dik
van mosselgeur.
De schelpen sperren de bek.
De cider plonst op de tong.

Oorlogend om de tafels
de wespen. De natuur,
onhebbelijk eerlijk, houdt
de angel geslepen gereed.

(Bron: De tijd te lijf en andere gedichten/Bezige Bij)

Geplaatst in Bert Voeten | Tags: , | 1 reactie

De deurknop (J. Nienhuis)

De deurknop
ouderwets
van hout
met simpel mekaniek-
wat wankel
maar eenmaal
in ‘t slot
wist ik mij
buiten schot.

De dromen
die ik heb gedroomd
bleven wél bewaard-
hoe heb ik
in de schemering
-deurknop-
naar je gestaard.

Je was
een leven lang
mijn redding
mijn gevaar:
je opende
met aarzeling
de vuurhouten
toegang tot
het binnenst
van mijn hart-
wat wankel
maar eenmaal
in ‘t slot
wist ik mij
buiten schot.

(Bron: Windharp/De Beuk)

Geplaatst in J. Nienhuis | Tags: , | 1 reactie