Stoel (J. Bernlef)

Overal staat zij bij
in een hoek met haar
rug tegen de muur
kaarsrecht en op 4 poten

zelden onderwerp van
gesprek of affectie
(je neemt een stoel
niet op schoot) blijft zij

trouw overeind kiest
geen partij altijd be-
schikbaar ontroerend goed
in al haar houten eenvoud

zelfs in dromen
weigert zij te lopen
staande slaapt zij
met mijn kleren aan

(Bron: Gedichten 1970-1980/Querido)

Geplaatst in J. Bernlef | Tags: , | Een reactie plaatsen

Het woord (Lieve van Hoestenberghe)

 

Hoe wij elkander vinden
In het zacht omhulsel taal.
Hoe wij draden binden
Van het hakkelend verhaal.
Hoe wij leven zonder vinden.
Hoe wij zoeken met omhaal
Van woorden, op de tenen
Van de taal. Houden wij

Elkander, o elkander
Houden wij elkander
Toch maar even vast.

 

(Bron: Gedichten 87, een keuze uit de tijdschriften/Davidsfonds)

Geplaatst in Lieve van Hoestenberghe | Tags: , | Een reactie plaatsen

Our hands/Onze handen (Kona Macphee)

This evening, as you touch my arm, again I see
the strange alikeness of our hands:
your hand is my hand, swelled into a man’s;
two sketches, on two scales, of one terrain.
And now you take a pencil, tilt the light,
and borrowing my writing paper, lined in feint-rule blue,
you move your hand to find the contours of my face across the white.
If I could only touch your hand
and take your gentle skill in my like hand,
I’d draw my mirror vision of the portraiture
that only love and skill conjoined can make –
but even in this clumsy hand of mine
your face is framed in love across these lines.

============================

Vanavond, wanneer je mijn arm aanraakt, zie ik
opnieuw de vreemde gelijkenis van onze handen:
jouw hand is mijn hand, gezwollen tot die van een man;
twee schetsen, op twee schalen, van een enkel terrein.
En nu pak je een potlood, je kantelt het licht
en op papier dat je van mij leende, met vaag-blauwe
lijntjes, beweeg je je hand om op het hele vel
de contouren van mijn gezicht te vinden.
Als ik je hand kon aanraken en jouw tedere
vaardigheid in de mijne kon nemen, zou ik
een spiegelbeeld maken van het portret
dat alleen liefde en kunst tezamen kunnen maken –
maar zelfs met deze klunzige hand van mij
wordt jouw gezicht in deze regels liefdevol ingelijst.

(Bron: Guardian, Poem of the Week, 5 November 2007. Opgenomen in: Voor je ogen/Amnesty International. Vertaling: Daan Bronkhorst)

Geplaatst in Kona MacPhee | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Vandaag (Koos Schuur)

Vandaag verricht het leven weer
wondren om nooit van te genezen
elke verandering is een vordering
en een blanco cheque
in te vullen met raad en daad
inzicht en uitzicht
elk woord heeft alle betekenissen
in een eindeloze variatie van toon
ik heb een woord gevonden
dat in mijn handen verstijft

vandaag waait de wind uit een heldere hoek
mysterieus en klaar als verte
verwachting verijdelt de woorden
tot een ochtendnevel van alleenspraak
er is een woord dat ademt als een herfstwoud
er is een woord dat ademt als de zee
ik heb een woord gevonden
dat niet meer ademt

vandaag van blauw gefilterd licht
is weer de morgen

(Bron: Gedichten 1940-1960/De Bezige Bij)

Geplaatst in Koos Schuur | Tags: , | Een reactie plaatsen

Aanwezigheid (Hans Warren)

Je bent bij mij in het grijze ochtendbreken
als ik door bedauwde velden ga en vroege zon
de wolken overstraalt met rosse streken
en als de zilver-toeë klaver openplooit.
Je bent op het strand waar de golfslag breekt
en zilte wind de haren ros verbleekt.
Zee en plas stromend wervelend in elkaar,
in het diepste water dat ik graaf spiegelt je beeld.
Halmen staan trillend in het middagveld,
blindend van helgeel licht in koolzaadbloemen.
Je loopt tussen het wuivend stengelwiegen,
het zijn bijen die je liefste namen zoemen.
In de avondrust, waar lange schaduw valt
en witte vlinders van de nacht weifelend pozen,
is daar je glimlach, al zo lang verwacht?
De wind speelt teder in de jonge rozen.

(Bron: Verzamelde gedichten 1941-1971/Bert Bakker)

Geplaatst in Hans Warren | Tags: , | Een reactie plaatsen

Troost des donkers (J.C. Bloem)

Temidden der gezelligen gezeten
Bij de vertrouwdheid van de rosse haard –
Wat is het, dat ik mij opeens versmeten
Gevoel, en van een wegende angst bezwaard?

Wat is het, dat ik bij het schertsend praten
Mijn mond niet meer kan plooien tot een lach,
En dat mij uitjaagt langs de barre straten,
Beladen met de zware winterdag?

Ik was toch nooit van hen die ’t leven smaden,
Wier droom zich niet van de eigen laagheid keert,
Ik heb altijd, in dichten en in daden,
De onstuimigheid van dit bestaan begeerd.

Maar o de zwakke en bittere ogenblikken,
Als ik de kracht tot strijden voel vergaan,
Als ’t in mij opstormt en mij wil verstikken:
Heel de versmaadheid van dit aards bestaan.

Dan kan ik hun niet langer toebehoren,
Licht-levenden, vervreemd van droom en gloed,
In ’t zonnig ijs van het geluk bevroren
Tot rustgen, die geen smart zelfs lijden doet.

Zo vlucht ik dan en zoek de stille wegen
Terzijde van het luide hart der stad:
De nauw door een lantaarn verlichte stegen;
Langs ’t mistend kanaal het glibrig pad.

Waar weinige grauwe mensen mij ontmoeten,
Wellicht genoten van mijn doffe leed,
Begerende voor hun verzworven voeten
De grond, die geen gelukkige betreedt.

Daar baad ik in de vloed der duisterheden,
Die alle droefheid van mij henen spoelt,
En weet: aan ’t eind van alles wat wij leden,
Is de vervulling, die de wonden koelt.

Dan voel ik mij in ’t donkere verglijden,
Dan eindig ik niet langer in dit vlees,
Maar uit mijn wezen gaat een vreemd verwijden
Naar iets, dat verder is dan lust en vrees.

En, wat vermoeid, maar vol van zulk een vrede,
Dat smart een damp wordt zonder vorm of wicht,
Kan ik weer keren ter gewende stede,
Langs blijde mensen, in het open licht.

(Bron: Verzamelde gedichten/Polak & Van Gennep)

Geplaatst in J.C. Bloem | Tags: , | Een reactie plaatsen

Bewijs (Bert Kienhuis)

Van alle vergezichten
die wij zagen
heb ik geen bewijs
behalve soms
je ogen als ze rond zijn
tussen perzikbomen

en jouw voetspoor
langs de heesters
is dezelfde hand
die coq au vin bereidt
in lange dialogen met drambuie
tafelkleden tot gordijn verstelt.

Van alle vergezichten
die wij zagen
is er geen getuige
behalve dan
het zachte geel der lambrizering
in de tussenkamer
en het ritme van de leegte
rondom alle stoelen
die op zolder zijn.

Het is lente
en je navigeert antieke schepen
het wordt zomer
je leest stralend kaart

aan jouw keukentafels
overleeft een bloemblad herfsten
in december componeer je
bladmuziek voor raven
tonen die naar Elders gaan.

Van alle vergezichten
die wij zagen is de oudste
een vergane streling
in jouw ogen als ze groot zijn
heb ik ooit bestaan.

(Bron: Het zei zo/Bert Kienhuis)

Geplaatst in Bert Kienhuis | Tags: , | Een reactie plaatsen

Weet je nog hoe het water droomde (Aleksandr Blok)

Weet je nog hoe het water droomde
In onze slaperige baai,
Toen er in linie binnenstoomden
En langzaam meerden aan de kaai.

Vier grijze schepen? Mateloze
Beroering, onrust brachten zij,
Gebruinde, lachende matrozen
Gingen ons achteloos voorbij.

Groots en verlokkend werd het leven…
Toen zijn de schepen weggegaan.
Ze wendden alle vier de steven
De nacht in, naar de oceaan.

En alles werd weer als tevoren,
De vuurbaak zond vermoeid zijn straal
Over de zee. De semaforen
Gaven een allerlaatst signaal.

Hoe weinig heeft een kind van node:
Wat waren jij en ik verblijd
Met al wat ons werd aangeboden,
Zelfs met de kleinste nieuwigheid.

Vind in een zakmes jaren later
Per ongeluk een korrel zand,
En weer is daar het wijde water
En het betoverende strand.

(Bron: De meisjes van Zanzibar, zevenentwintig Russische gedichten vertaald door Leidse slavisten met Karel van het Reve/Gerards & Schreurs)

Geplaatst in Aleksandr Blok | Tags: , | Een reactie plaatsen